15 september 2006

Beijing met mijn moeder


Veel vluchten lopen vertraging op door de verscherpte veiligheidsmaatregelen die sinds de zopas verijdelde aanslagen op de transatlantische vluchten vanuit Londen van kracht zijn. Maar na anderhalf uur op de luchthaven nauwlettend aangekomen reizigers gadeslaan komt ineens mijn moeder door de deur heen! Op haar verzoek boekte ik een hotelkamer in een traditioneel Chinees gebouw met twee binnenplaatsen. Het is een verzorgd en rustig hotel. Een prettige upgrade, vooral sinds ik afgelopen nacht ettelijke keren door kleine, bruine, bloeddorstige matraskevers werd gebeten. Het enige vrije bed in Beijing in een muf hostel op de vierde verdieping onder de grond! Met als enige toegangsweg een kleine lift. Nooit meer!

We doen ons tegoed aan het lekkere eten dat overal te krijgen is. Peking eend, japans, straatstalletjes en Chinese arbeiderseethuisjes, mama vindt het allemaal even fantastisch. Het verwondert haar dat in een grootstad als deze ook gefietst kan worden, op voorwaarde dat je je zeer onderdanig gedraagt ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer. Eens in de "hutong", Beijings fotogenieke steegjes, is het nog moeilijk voor te stellen dat we ons in een metropool bevinden. Vele buurten worden met de sloophamer bedreigd, vooral nu de stad op rigoureuze wijze schoon schip maakt in de aanloop naar de Olympische Spelen van 2008. Er wordt letterlijk dag en nacht gewerkt, gesloopt, gebouwd en gegraven. Wegenwerkers slapen onder een soort van RTT-tentjes op de stoep.

visumleed

Mijn Chinees visum vervalt daags nadat Fanny uit Beijing naar huis vliegt en daags voor mijn moeder in Beijing aankomt. Wanneer ik me enkele dagen voordien bij de dienst immigratie aanmeld om een visumverlenging aan te vragen –een standaardprocedure in China overigens- wordt mij die geweigerd. “U heeft al een verlenging van ons gekregen en bovendien heeft onze dienst u toen een dienst bewezen door uw goepsvisum voor Tibet op te splitsen.”

Dat groepsvisum is een middel dat de Chinese overheid gebruikt om te voorkomen dat pottenkijkers op eigen houtje of in hun eentje door Tibet gaan zwerven. Daarvan waren wij ons bewust en hadden daarom in het reisbureau in Kathmandu om een apart groepsvisum gevraagd, want vreemd genoeg is het wel mogelijk om een groep van één persoon te vormen! Inderhaast is dat niet gebeurd en stonden Stijn en ik samen op het groepsvisum vermeld, dat een A4 blad met onze namen, paspoortgegevens en rode stempels is. Je komt samen de grens over en moet samen het land weer verlaten. Bij het verlengen van dat visum vroegen Stijn en ik elk een afzonderlijk visum aan. Dat werd ons na veel trammelant en tegen dubbel tarief verstrekt. En nu in Beijing is het weer dat verrekte groepsvisum dat voor problemen zorgt.

“U moet het land verlaten, wij kunnen u geen nieuwe verlenging toekennen, het ligt niet in onze bevoegdheid.” Ik heb helemaal geen tijd om naar Hong Kong te vliegen, een nieuw Chinees visum aan te vragen bij de Chinese ambassade en op tijd terug te zijn om mijn moeder aan het vliegveld in Beijing op te wachten. Bovendien heb ik slechts acht dagen verlenging nodig voor we de trein naar Mongolië nemen. Als ik later met die treintickets in de hand en het Mongools en Russisch visum in mijn paspoort nogmaals mijn geluk beproef blijft het antwoord onwrikbaar njet.

Op het laten verstrijken van het Chinese visum staat een boete van vijftig euro per dag en het verbod om voor een bepaalde tijd naar China terug te komen! Wat financieel ongeveer neerkomt op een retourtje Beijing – Hong Kong. Van dat reisverbod lig ik ook niet wakker, want China is geen land waar ik nog graag terug zou komen.

Ik ga te rade bij “Wegwijzer Reisinfo” waar medewerker Filip me razendsnel antwoordt met een opsomming van mogelijke pistes die spontaan bij hem opkomen. Een professioneel “visumconsulente” in Beijing, die dit soort zaken via een achterpoortje bij de immigratiedienst ritselt, kan me niet beloven dat het haar zal lukken, noch dat ik mijn paspoort tijdig terug zie. Zij adviseert me mijn visum te laten verlopen en daarna om een “pardon” te vragen. Het blijkt algauw niet simpel om in Beijing je visum ongemerkt te laten verstrijken, want in een hotel inchecken wordt me geweigerd met een visum dat om middernacht ongeldig wordt.

Na uren zoeken zeulen in de broeierige hitte stap ik einde raad met mijn zware rugzak op een overvolle metro richting Public Security Bureau waar ik mijn geval voor de derde keer aan andere ambtenaren uitleg. En nu kan mijn aanvraag ineens wel behandeld worden. Ik durf niet te vragen waarom om geen slapende hond wakker te maken. Dolgelukkig, maar wantrouwig of het ook echt in orde komt verlaat ik het gebouw met een certificaat dat mijn paspoort ter verwerking bij het PSB is en daarmee kan ik probleemloos in hotels terecht. Daags voor ons vertrek naar Mongolië zou mijn paspoort klaar liggen.

07 september 2006

from Russia with love

De stukjes over Mongolie, de Trans Siberische spoorlijn en Moskou zijn in het klad geshreven. Belangrijker nieuws, ik druk op de fastforward knop van mijn reis en kom op 9 september -een tiental dagen eerder dan gepland- naar huis. Mijn geheugen zit overvol en ik zie er eerlijk gezegd tegenop om nog door Polen en Duitsland naar huis te liften, zoals ik had willen doen.

De stukjes vul ik aan vanuit Brugge. Alvast heel erg bedankt voor de interesse in mijn ervaringen. Tot binnenkort!

17 augustus 2006

met Fanny door China, door Fanny

Dali - provincie Yunnan
Het is drie maanden geleden dat Thomas is vertrokken. Nu was het mijn beurt om in het vliegtuig te stappen richting Azië. Samen met Laila, de vriendin van Stijn, vertrek ik vanaf Schiphol naar Chengdu. Ik vlieg Thomas tegemoet. Gelukkig is ook hij blij mij weer te zien. Op de luchthaven van Chengdu zie ik er eentje boven de massa uitspringen. Hij heeft een baard en ruikt al een beetje naar Chinees, vind ik. Aan die baard kan wat gedaan worden en aan die geur raak ik wel gewoon.

Het dringt niet echt tot me door dat ik nu in China ben. China leek altijd zo ver weg. Alles ziet er anders en onbekend uit en er zijn zoveel mensen. Het wordt een hele aanpassing, maar ik heb er zin in. We blijven enkele dagen in Chengdu hangen. Het uurverschil speelt me 's nachts wel parten, maar na een dag of drie zit ik al op schema. We bezoeken het "Giant Panda Breading Center". De panda’s hebben er een mooi verblijf en zitten niet in kooien opgesloten.

Na drie dagen Chengdu vertrekken we naar Emei Shan. Een busrit van twee uur en een half. Een erg korte afstand vergeleken bij de busritten die nog zullen volgen. De buschauffeur wil ons voor een fooi van 10 Yuan wel afzetten aan een hotel. Zo komen we in Baoguo Si terecht in het "Teddy Bear Hotel" aan de voet van Mount Emei. De eigenaar is er trots op dat hij een backpackers-hotel heeft, maar na twee dagen wil hij ons wel de kamer uit omdat hij die al gereserveerd had voor een groep Franse chichi madammen. Ik moet mijn kamer met badkamer en airco ruilen voor eentje met ventilator en zonder badkamer. Voor het eerst heb ik geen Westerse WC meer, maar hang ik boven een gat in de grond. Ik had het er toch even moeilijk mee.

Vanuit Baoguo Si maken we een daguitstap naar Leshan. Er rijdt geen bus meer de eerste uren, maar in China is dat geen probleem, want er staat al een minibusje klaar. Als je maar genoeg mensen bij elkaar krijgt die naar dezelfde plaats willen dan kom je er wel. In Leshan staat de grootste Buddha van China. 71 meter hoog en in een rotswand uitgehouwen. Alleen al zijn oren zijn 7 meter lang. Volgens de Lonely Planet kan je picknicken op zijn tenen, maar we kiezen er niet voor om langs de Buddha tussen horden toeristen naar beneden te lopen. We varen met een speedbootje langs de Grand Buddha. Vanop het water heb je een veel beter zicht op het geheel. Het is een indrukwekkend zicht. Ondertussen ben ik ook wel te vinden voor de Chinese keuken. Aangezien eten bij mij vroeger wel eens een moeilijke aangelegenheid durfde te zijn, had ik toch wat bedenkingen gehad vooraf. Maar de gerechten zijn eigenlijk heel lekker. Helemaal anders dan de gerechten bij de Chinese restaurants in België natuurlijk, heel wat pikanter, maar lekker!

Meer dan de Grand Buddha en lekker eten heeft Leshan niet te bieden en we rijden terug naar ons hotel. Voor het eerst tijdens mijn reis merk ik dat het niet evident is om het openbaar vervoer te gebruiken wanneer je de taal niet spreekt. In het busstation worden we op een bus gezet en wij zijn zo naïef om te denken dat die rechtstreeks naar ons dorpje zal rijden. Pas vier bussen verder zijn we op onze bestemming. Dat gebrek aan communicatie zorgt voor veel frustratie. Men wijst je een aan bus, maar je weet niet waar je de volgende moet nemen. Ze wijzen in een bepaalde richting, maar of ze nu willen zeggen naar rechts, naar links of rechtdoor kun je daar niet uit opmaken. Een meisje is zo lief om ons naar de volgende bus te leiden, maar wij lopen achterdochtig achter haar aan. “Waar brengt zij ons nu weer naartoe?” Terwijl ze gewoon echt vriendelijk was. Sprak ik maar Chinees, denk ik vaak.

Het dorpje waar we logeren ligt aan de voet van een berg. Het zou een echte attractie zijn als je de hoteleigenaar moet geloven. Maar het zou geen Chinese berg zijn als je niet zou moeten betalen om erop te mogen. Echt alles moet hier geld kosten. 12 euro om een berg te beklimmen. 6 euro om een kabelbaan te nemen. Het stikt er dan nog eens van de Chinezen en veel plezier beleven we niet op die berg. Ook vooral omdat we een verkeerde afslag nemen en veel vroeger dan gepland terug op de parking uitkomen. Nu ja, erg spectaculair was het allemaal niet, want je zag geen 10 meter voor je uit door de mist.

Nu we alles in de buurt gezien en gekeurd hebben, reizen we verder. Met de trein dit keer. We komen ruim op tijd aan in het station. Het regent pijpenstelen. We kiezen een hoekje uit en wachten. Nu en dan komt een Chinees ons eens goed bestuderen. Ongegeneerd kijken ze je secondenlang aan, soms zelfs minuten. Ik weet niet waar te kijken. Thomas kijkt terug en dan wenden ze hun blik snel af, alsof je niet door hebt dat ze je zitten aan te staren. Ik zou geld kunnen vragen om mij te mogen bekijken, zij vragen trouwens ook voor alles geld.

De hele stationshal ruikt naar de toiletten die ernaast liggen. Toch kan ik niet anders dan er ook eens gebruik van te maken. Ik kies resoluut voor de laatste WC, want mijn witte kont zou ook daar voor opschudding kunnen zorgen. Er zijn namelijk geen deuren, maar gewoon muurtjes tussen de gaten in de grond. De geur is niet te harden. De treinen worden omgeroepen en dan gaan mensen voor een hekken in een rij staan. Als het onze beurt is, blijkt dat de trein vertraging heeft. Rond een uur of elf ’s avonds mogen ook wij in de rij gaan staan. Althans, ik dacht dat het een rij was, maar hier en daar kruipt er een Chinees tussen. Zouden ze aan het voorsteken zijn?

We mogen het perron op. Vrouwen met luidsprekers sturen je de juiste richting uit. Alle mensen voor wagon 10 moeten in een rij gaan staan. De vrouw met de luidspreker spreekt kordaat, ze lijkt wel van het leger te zijn. De trein komt het station ingereden. Een immense locomotief, een grote koplamp en de regen die met bakken uit de lucht valt. Het doet je ongewild aan Schindler’s List denken. Luidsprekers, geroep en dat allemaal niet begrijpen. Een wagon ingeduwd worden op zoek naar je slaapplaats. Eng. Het is een slaaptrein. Wij hebben kaartjes voor de "hard sleeper". Daar slaap je met zes samen in een compartiment. We rijden richting Panzihua.

Na een lange treinrit volgt een busrit. We willen naar Dali. In het busstation koopt een man kaartjes voor ons zonder dat wij hem dat gevraagd hebben. Hij kan ons geen geld teruggeven en maakt dus winst. We worden een bus aangewezen en wij hopen maar dat deze de juiste richting uitrijdt, want wat er precies op ons kaartje staat, is ons een raadsel. Het lijkt ook allemaal Chinees dat Chinees. Eens opgestapt blijkt die bus niet zomaar een bus, maar een ligbus. Je kunt er zelfs niet rechtop zitten. Mijn maag vindt het maar allesbehalve om de hele tijd heen en weer geschud te worden. Ik hou niet zo van het schokken noch van de ongeasfalteerde wegen. Negen uur mogen we liggen. Dat vinden de Chinezen waarschijnlijk fantastisch, zij maken het zich graag gemakkelijk. Dat merkten we al op Mount Emei waar Chinezen zich naar boven laten dragen. De andere passagiers in de bus, Chinezen, roken en gooien hun as op de grond, ze gooien lege flesjes door het raam. Een “flessenverzamelaar” zal ze wel komen halen.

Niet alleen flesjes vliegen door het raam, ook menig rochel gaat die richting uit. Af en toe stopt de bus langs de kant van de weg. Blijkt dat dit de plaspauzes zijn. Maar geen wc te bespeuren natuurlijk. Aangezien de passagiers allemaal mannen zijn, besluit ik voor mezelf dat ik niet naar de wc moet. Dan hou ik het natuurlijk ook niet meer en vraag de chauffeur te stoppen. Ik zet me achter de bus om de blikken te ontwijken. Een voorbijrijdende motorrijder kijkt toch een paar keer om. Het kan me al lang niet meer schelen. Ik ben moe gelegen en geniet van het beetje buitenlucht. Negen uur later komen we aan in Xiaguan. Een taxichauffeur wil ons nog naar Dali brengen, maar tegen nachttarief hebben wij daar geen zin in. Ik wil slapen. We vinden vrij snel een hotel. Als we de volgende morgen uitchecken, zitten nog steeds dezelfde meisjes aan de balie. De uren die ze hier kloppen zijn ongelofelijk.

Met een stadsbus rijden we verder naar Dali. We checken in in Guesthouse nr 4, maar krijgen algauw spijt van onze beslissing. De muren zijn beschimmeld, de kraan lekt en het ruikt er muf. Het regent, je wordt kletsnat en het droogt helemaal niet op. Na een weekje China heb ik even genoeg van rochels, vieze WC's en Chinezen. Ik hoop dat mijn gemoed samen met het weer zal opklaren. Aangezien het regent en je nergens heen kunt, besluiten we een film te bekijken. Het wordt de “Da Vinci Code", een gekopieerde versie weliswaar, want af en toe gaat de taal van Engels over naar Chinees, wat het volgen van de film wel erg moeilijk maakt. Je probeert dan te volgen via de Engelse ondertiteling, maar daar word je ook niets wijzer van. Die vertaling is soms wel erg bizar. Zo zei Tom Hanks “I am sorry” en in de ondertitels stond er “let". Same same...

Die avond liggen we nog lang te kletsen. We stellen het slapen uit, zijn bang om adem te halen, toch niet te diep. Al dat vocht en die schimmel... Ik lig in mijn lakenzak tussen de lakens. Ik ben vies van de matras en van het hoofdkussen. Alles is door de schimmel aangetast. Met het laken over mijn hoofd getrokken val ik pas laat in slaap. De volgende morgen wens ik geen minuut langer in het stinkkot te blijven. We vinden een ander hotel, “Hotel Wonderland”, en die mooie kamer doet echt wonderen met mijn gemoed.

Dali is erg toeristisch, maar dat zorgt er wel voor dat je er lekker kunt eten. Elke dag proberen we een ander restaurant en een ander gerecht. Als we op een middag echter willen afrekenen, blijkt een van onze biljetten vals te zijn. We verdenken het stinkhostal ervan ons vals geld te hebben gegeven en gaan erheen. Zij beweren bij hoog en bij laag dat niet zij ons dat valse biljet van 50 Yuan hebben gegeven. We dreigen met politie en zeggen we ook dat ze erg ons een“shitty” kamer verhuurden waar mensen ziek in kunnen worden. Een aantal pas aangekomen toeristen kijken ons verschrikt aan. Daarna herinnert Thomas zich dat we ook tijdens het ontbijt die morgen een briefje van 50 Yuan hebben gekregen. Daar wisselen ze het briefje heel snel, het lijkt alsof ze maar al te goed wisten dat ze een vals briefje hadden uitgegeven.

Dali is niet erg groot en al snel hebben we het dorpje wel gezien. We huren fietsen en verkennen de omgeving. We rijden naar de drie pagodes, een gerenoveerd tempelpark. Aangezien we binnen mogen aan het studententarief (onze studentenkaarten zijn jaren geleden verlopen, maar dat wordt niet gecontroleerd...) wagen we ons aan een bezoekje. Wat de Chinezen begrijpen onder restaureren lijkt verdacht veel op “opnieuw bouwen in beton". Het zal er allemaal wel mooi hebben uitgezien vroeger, maar we voelen ons bedrogen. Je ziet zo dat het niet authentiek is.

Later die avond worden we in het dorpje aangesproken door een visser. Hij vraagt of we niet mee willen met zijn bootje. Dat lijkt ons wel leuk en we spreken af voor de volgende dag. Op het bootje zitten vogels, dat zijn de eigenlijke vissers. Het zijn aalscholvers. Aangezien de vogels een touwtje om hun nek hebben, kunnen ze de vissen niet doorslikken. Als ze een vis hebben gevangen haalt de visser de vogel uit het water en laat hem de vis uitspugen.

Nu we alles in de buurt van Dali wel gezien hebben, trekken we verder. We nemen de bus naar Kunming. De busrit zou ongeveer vijf uur duren, maar het duurt langer omdat er wegenwerken zijn. Alles moet wijken voor de snelweg. Huizen staan half afgebroken langs de weg en je ziet dat het nog bewoond is. We rijden door naar de luchthaven en vliegen naar Xi'an. Daar komen we om 2 uur 's nachts aan. Er zou ons iemand van het hostal staan opwachten, maar njet, er staat niemand. Als we het hostal bellen om te vragen of ze wel een kamer voor ons hebben vrijgehouden, blijkt dat ze een luxekamer voor ons hebben gereserveerd. Dat was niet de afspraak en we laten een meisje van de airport shuttlebus een goedkopere kamer voor ons zoeken. We worden erheen gebracht, maar daar krijgen we te horen “no room". Het meisje achter de balie durft ons ineens niet in de ogen te kijken terwijl ze het zegt. We lopen boos weg en nemen een taxi naar het hostal waar we een kamer geboekt hadden. Na lang onderhandelen doen ze wat van hun prijs af. Ik ben gewoon blij dat we toch nog een bed hebben gevonden.

Wanneer we opstaan en Xi'an bij daglicht zien, zijn we op het eerste zicht niet zo opgetogen over de stad. Onze aankomst was dan ook niet erg vlotjes verlopen. Maar we moeten onze mening herzien naarmate we verder de stad intrekken. Na frietjes te hebben gegeten bij Dicos, een bezoek aan de "Bell Tower" en "Drum Tower", waar jongeren het beste van zichzelf geven op drums, voelen we ons al veel beter. Als we dan ook nog eens de gezellige drukte van het "Muslim quarter" induiken zijn we helemaal overtuigd.

Het hoogtepunt van ons verblijf in Xi’an moet echter nog komen: het "terracotta leger". De Chinezen tonen zich ook hier weer van hun beste kant. Drummen lijkt hier echt wel een nationale sport te zijn. Het is dan ook letterlijk ellebogenwerk om op de bus te geraken en een zitplaats te bemachtigen. Heb je geen zitplaats moet je weer afstappen. Heel logisch allemaal, waarom niet gewoon de mensen tellen bij het opstappen? We zijn natuurlijk niet de enigen die op het idee zijn gekomen om naar het terracotta leger te gaan kijken, maar gelukkig zijn de putten groot genoeg en kun je alles goed zien. Het is erg indrukwekkend, al die gebakken mannetjes. Ze zijn levensgroot. Ooit hebben er 7000 gestaan. Een Chinees wil met me op de foto, het is niet de laatste keer dat ze me dat vragen. Het bevestigt alleen maar mijn idee dat die Chinezen wat bizar zijn. Ik had geld moeten vragen.

Na Xi’an vertrekken we naar Pingyao. Het zou een authentiek stadje zijn. Daar kijken we naar uit. Natuurlijk weer een heel gedoe om de juiste bus te vinden. Ze kunnen hier heel hectisch doen waardoor je er nog minder van begrijpt. Het zal een rit worden van een uur of zeven. Over de middag is er een lunchpauze, maar net als ons eten wordt opgediend, wil de chauffeur weer vertrekken. Eten is hier duidelijk maar bijzaak. Even na de middag worden we plots aan een tolgate gedropt. We zouden er zijn, maar we zien niets, behalve een afrit van de autostrade en twee tolhuisjes. Verweesd blijven we achter, maar daar komt een bromfiets aangesnord. We worden naar het centrum gebracht. We vinden vrij snel een goedkoop hostal. Het dorpje lijkt op het eerste zicht erg authentiek, misschien is het dat wel. Het heeft in elk geval iets om er rond te wandelen. Er staan echt oude huisjes. We huren fietsen en rijden rond de oude stadsmuur. Het is leuk om er met een fiets door de stad te rijden, je komt in straatjes waar je anders nooit zou wandelen. Nog steeds staren de Chinezen ons aan. Ze zullen nog eens ergens tegenaan lopen of rijden.

We proberen ons te informeren voor een trein naar Beijing. We richting ons tot de “ inquiry office", zo stond het er toch, maar de dame spreekt natuurlijk geen Engels. Erg handig, zo'n inquiry office. Gelukkig stond er een hulpvaardige dame voor het loket. Geen slaapplaatsen meer voor de trein naar Beijing, enkel zitplaatsen op een slaaptrein. Dat zien we toch niet zitten. Dan maar met de bus.

Het lijkt niet te geloven maar telkens wij een bus moeten nemen, staat die op het punt om te vertrekken. Ook nu weer. We komen aan in het busstation op een Riksja en worden zowat de bus ingesleurd. We roepen nog "Taiyuan", want daar willen we naartoe, maar zij weten blijkbaar al waar wij naartoe willen. We ontmoeten twee Nederlanders op de bus. We kunnen eens kommer en kwel delen en dat doet deugd. Het klikt meteen. In Taiyuan moeten we naar een ander busstation en je raadt het nooit. De bus staat weer op punt om te vertrekken. Als we stoppen om te eten zijn we weer de attractie. Ik speel het spelletje mee en roep luid: “ Kijk naar mij! Ik ben wit!” Nu weten ze niet goed meer waar kijken.

Drie films later komen we aan in Beijing. En hoe... Opdringerige taxichauffeurs willen ons naar het centrum brengen. Ze sleuren je bijna hun auto in. Ze moeten van mij afblijven. We komen een prijs overeen met een minibusje. We worden gedropt aan een jeugdhostal waar we dachten een reservering te hebben. Niet dus. Geen kamers. Waarom bellen we dan? Even later komt de dame van het minibusje weer binnen. Ze maakt een hele scène. Ze wil meer geld omdat onze Nederlandse vrienden verder afgezet moeten worden. Lang leve goede communicatie. Wij willen niet meer betalen en de dame is zo koppig dat ze nu eigenlijk verlies doet. We vertrekken samen met Brenda en Aubrey naar een ander hostal. Daar zouden nog dormbedden vrij zijn. Geen enkele taxi wil ons meenemen. Tot zes keer toe houden we er een tegen, maar ze schudden allemaal hun hoofd. Wat precies het probleem is? Daar hebben we het raden naar. Te voet blijkt het een hele 'trot' te zijn. Brenda en Aubrey hadden een reservering, maar ze krijgen te horen dat ze hun kamer maar tot zes uur hebben vrijgehouden??? Gelukkig werkt Brenda zelf in een hotel en weet ze dat als je je creditcardnummer hebt doorgegeven, ze de kamer de hele nacht moeten vrijhouden. Plots is er dan wel weer een kamer vrij. Thomas en ik krijgen dan weer te horen dat er helemaal niets meer vrij is. Ik krijg het gewoon! Mijn rugzak zwier ik een eind verderop. Ik ben het zo beu! Thomas gaat opnieuw op zoek naar een ander hotel.

Gelukkig vindt hij nog een kamer. Om drie uur ’s nachts word ik uit mijn slaap gehaald door luid gehijg en gekreun. Het klinkt zo fake en het blijft maar duren. Hetgeen mij doet vermoeden dat het om betaalde seks gaat. Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik ze even later ruzie hoor maken. Niet genoeg gehijgd misschien? Na een uurtje nachtelijk entertainment slaap ik weer in om tegen de ochtend gewekt te worden door ruziemakende schoonmakers. Na één nacht in Beijing vind ik het er geweldig.

We verkennen de omgeving. Ons hotel ligt in de buurt van het "Tien'anmen plein". Wat een plein, door de smog en het mausoleum van Mao dat er midden in staat, kun je het einde niet zien. We gaan naar boven op de "Tien'anmen gate". We mogen geen rugzak meenemen. Er zouden wel eens pamfletten in kunnen zitten. Ook boven op de gate word je nauwlettend in de gaten gehouden door stewards. Het lijkt me beter om hier niet“liberez le Tibet”te roepen. Maar toch is het indrukwekkend om op de plaats te staan waar de republiek werd uitgeroepen.

's Avonds hebben we afgesproken met Brenda en Aubrey. We gaan "Peking eend" eten. Dat restaurant vinden is een ander paar mouwen. Vooral frustrerend dat die Riksja’s je de hele tijd achtervolgen, want ze willen je er naartoe brengen. Je weet dat je in de buurt bent, maar ze willen niet zeggen langs waar je moet lopen. Ze willen je kost wat kost brengen. Je zou ze een zetje geven. We lopen door een wijk die met de grond gelijk gemaakt zal worden. Tja, Beijing wil allicht een goede indruk maken tijdens de Olympische Spelen. Elke dag verandert het landschap. Uiteindelijk vinden we het restaurant. Een jongen die later ‘ I love you’ zegt tegen Thomas brengt ons erheen. Ik vond al dat hij Thomas zo indringend aankeek. Het zal die oorring zijn. Gisteren op de bus had hij ook al “touche”. De kok komt onze eend tonen: “ this is your duck”. We hebben de neiging te zeggen “ hello, duck”, maar hij is al bruingebakken. Peking eend smaakt! Vele biertjes later keren we terug naar huis.

Wat fijn als er ’s morgens aan je kater gedacht wordt. We zijn al van kamer veranderd, maar het blijft gewoon een noisy hotel. Rond kwart voor zes lopen hier elke ochtend rochelende Chinezen door de gang te roepen en lawaai te maken. Rücksichtlos zouden de Duitsers zeggen, asociaal in het Nederlands dus.
Al is Beijing dan een grootstad, het nodigt wel uit om er met de fiets rond te rijden. Ik ga samen met Brenda en Aubrey met de fiets naar het zomerpaleis. Thomas gaat ondertussen een paar ambassades langs om zijn Mongools en Russisch visum te regelen. Het is een hele rit naar het paleis over stoffige wegen. De straatvegers zijn duidelijk een paar stukjes vergeten. We fietsen er ongeveer twee uur op en nog zijn we de stad niet uit. We bereiken wel de vierde ring, van de negen. Het paleis ziet er mooi uit, maar alweer erg druk. Wel jammer dat we geen vorstelijke vertrekken te zien krijgen. Thomas had weinig succes bij de Chinese visumdienst. Ze willen zijn visum niet verlengen ook al heeft hij maar een week extra nodig. Ze kunnen hier echt moeilijk doen. Zelfs als je een treinticket kunt voorleggen waarop staat dat je het land zult verlaten, kunnen (of willen) ze niets voor je doen.

Als je in China bent, moet je natuurlijk een stuk van de "Muur" hebben gezien. Wij bezoeken een stuk dat nog niet uitgebaat wordt en dus nog niet gerestaureerd is. Na een busrit van drie uur volgt direct een ferme klim. De gids zet een aardig tempo in naar boven. Het is er prachtig. De muur is erg spectaculair. Het doet na dagen stad ook eens deugd om gewoon in de natuur te vertoeven. Weg van een drukke stad vol smog. Af en toe wordt de rust wel verstoord door luidruchtige, onzin verkopende Amerikanen, maar ik mag me er van Thomas niet te opzichtig aan ergeren. We kiezen de kopgroep en laten de Amerikanen achter ons. We hebben geen zin in geleuter over het weer, maar willen genieten van de muur. Het uitzicht is inderdaad wel wat beperkt, maar ik kan me helemaal voorstellen hoe het er moet hebben uitgezien. Dit is niet zomaar een muurtje. De afdaling wordt vooral gesierd door glijpartijen. Het pad is steil en met kiezeltjes bezaaid. Tot twee maal toe ga ik door de knieën voor de Chinese bergen. Ook Thomas glijdt uit tijdens een imitatie van Lucky Luke. Met een been in de afgrond, maar toch maar met een grassprietje tussen zijn lippen. Ik schrik, maar kan toch mijn lach niet bedwingen. Een Spaanse met een kort rokje gaat op haar achterwerk naar beneden en gunt zo de gids een blik onder haar rok. Beneden gekomen krijgen we een maaltijd en dan mogen we weer de bus op. Het ruikt er stukken minder fris dan in het doorgaan. Mijn fijngevoelige neus registreert allerlei zweetgeurtjes. Maar de uitstap was zeker de moeite waard.

Wanneer we de "Verboden Stad" bezoeken zijn we verbaasd dat er geen elektrische wagentjes rondrijden. Want elk park of tempelcomplex heeft zulke wagentjes. Chinezen lijken het fantastisch te vinden om alles als een attractiepark te bezoeken. Ik had zoiets alleen maar in de "Meli" gezien. De uitstap naar de "Verboden Stad" is trouwens ook mijn laatste dag in China. Maar het is een mooie afsluiter. Ik ga helemaal op in de sfeer van keizerinnen en keizers met hun concubines. Ook al staat weer het een en ander in de steigers, ik loop er graag rond.

Na een maandje China ben ik blij dat ik terug naar huis mag, maar ik laat Thomas niet graag achter bij die Chinezen. Ik heb wel even genoeg van rijst en openbare toiletten. Maar het was een hele ervaring en ik ben blij dat ik Thomas ben achterna gereisd.

13 augustus 2006

Tibet

Tibet
In Kathmandu krijgen we steevast een pertinent "nee" op de vraag of we op eigen kracht naar Tibet kunnen. Het enige alternatief op dit ogenblik is dat we ons bij een georganiseerde groepsreis van acht dagen aansluiten. Prijskaartje : vierhonderd zestig dollar per persoon! Vervoer met Toyota 4x4 Landcruisers, overnachtingen met ontbijt en een norse gids inbegrepen.

Een Nepalese bus brengt ons van Kathmandu naar de grens waar de "Friendship Bridge" toegang biedt tot Tibet. Een rit langs spectaculaire Himalayareuzen, grillige kloven en een kolkende rivier in de diepte. De bus stopt aan de brug, die we te voet over moeten. Chinese militairen bespuiten onze rugzakken met ontsmettingsprodukt en met een infraroodstraal op ons voorhoofd gericht wordt de lichaamstemperatuur te meten. Met koorts kom je het land niet in.

We stappen over in de Landcruisers en er volgt een steile klim naar de grenspost waar de paspoorten gestempeld moeten worden. Daar aangekomen blijkt dat de Chinese militairen met hun stempel naar de kazerne zijn vertrokken. We zijn genoodzaakt hier de nacht door te brengen en 's anderendaags opnieuw te proberen. 's Avonds voetbalt Brazilie tegen Ghana. Het cafe zit afgeladen vol en leeft mee met de match. Wij ook! Aan de tafel naast ons zitten Chinese militairen met wel tachtig blikken Budweiser voor zich. Met hun diensthemd uit de broek en de kraag open nodigen ze ons uit aan tafel. Een serveuze fluistert ons toe dat ze zich hier elke avond bezatten. Na elke slok wordt mijn glas terug tot de rand gevuld. De sfeer zit erin, de Ghanezen bijten van zich af, maar scoren wil niet lukken. We raken hier niet weg...

De Chinezen zijn gek op de Franse ploeg en vragen ons hoe ze in Frankrijk proosten. We zijn zelf al in de wind en onze Zweedse vriend zit er wat ongemakkelijk bij als we hen wijsmaken dat de Fransen elkaar met "liberezletibet" gezondheid toewensen. Waarop de Chinese grenswachters rechtstaan, hun glazen met veel zwier samenbrengen en iets wat op "liberezletibet" lijkt door het cafe schreeuwen.

De volgende dag volgt een rit van elf uur over twee passen van ongeveer vijfduizend honderdvijftig meter via slecht gebaande wegen. Achterin de jeep heb ik spijt van het bier van vorige nacht. Alcohol op grote hoogte is funest voor hoogteziekte. Barstende hoofdpijn en jammer genoeg houdt onze chauffeur wel van een hobbeltje in de weg...

Ik was gewaarschuwd, de wc's zijn ongehoord smerig en vooral... Open! Bij het binnenkomen kijkt een rijtje gehurkte mannen je nieuwsgierig aan. Een halfhoog muurtje scheidt je van je buurman en er zijn geen deuren. Vaak kun je niet eens doorspoelen en is er slechts een schuin gemetselde afloop...

De komende dagen bezoeken we enkele kloosters in Shigatse en Gyantse op weg naar Lhasa. Hoewel Stijn en ik aanvankelijk tegen een groepsreis opzagen hebben we het erg naar onze zin. Onze lotgenoten zijn aangename mensen met erg uiteenlopende achtergronden.

Ik ben zeer onder de indruk van het Potale paleis, het paleis waar de laatste tien Dalai Lama's leefden. Het statige gebouw prijkt op een rots boven Lhasa. De Chinezen slaan grof geld uit de vroeger ontoegankelijke paleizen en kloosters. In 1959 is dit paleis zelfs met kanonnen onder vuur genomen, stel je voor... Niemand wist op dat moment dat de Dalai Lama wist te ontkomen en met een delegatie de Himalaya over trok. Hij leeft nu in ballingschap in Dharamsala, aan de voet van de Indische Himalaya. De Chinese bezetter beschouwt Hem en zijn overheid in ballingschap als "buitenlandse separatisten", ontkennen hun functie en bestraffen iedereen die ook maar een afbeelding van Zijne Heiligheid bezit. Ondertussen promoten ze emigratie van Chinezen naar Tibet met renteloze leningen en andere voordelen.

De hele wereld kan nu door de prive vertrekken en zelfs door Zijn slaapkamer wandelen, behalve Hijzelf.

Aan een straatstalletje denken we gefrituurde vis te bestellen, maar als we na een paar happen informeren wat het zegt ze dat we varkenshuid eten! Vlees is alomtegenwoordig in het eten en de communicatievalt echt niet mee. Even aanpassen na India, toch wel.

De gids gaat maar door over welk beeld dit en dat is, maar verzwijgt angstvallig de bloedbaden en de verwoestingen die het leger tijdens de opstanden en de Rode Gardes tijdens de Culturele Revolutie aanrichtten. Vele plaatsen worden afgeluisterd en mocht hij de waarheid vertellen zou hem dat zijn job en misschien wel zijn vrijheid kosten. De kloosters waren politiek erg actief en vaak werd van daaruit het verzet gecoordineerd. Daarom zijn zoveel monniken en zusters gevangen gezet en gemarteld of verdwenen en dus waarschijnlijk vermoord. Er werden zesduizend tweehonderdvierenvijftig kloosters vernield, een miljoen tweehonderdduizend Tibetanen vonden de dood en zo'n honderdduizend mensen werden naar werkkampen gestuurd.

De groepsreis is afgelopen. Na een paar dagen in Lhasa rond te hangen huren we als vier overblijvers van de groep een jeep met chauffeur. "Nam Tso" is volgens het bord het hoogste (zoutwater)meer ter wereld. En misschien ook wel de hoogste toeristenval ter wereld. Alles moet wat kosten, echt irritant! Het is een prachtig turkoois meer met een schiereiland in het midden omzoomd door bruine bergen met een laag sneeuw op de toppen.

De reis wordt vervolgd langs vernielde kloosters. Maar ondertussen wordt druk gewerkt aan de heropbouw ervan. In het nonnenklooster van Tidrum borrelt een "medicinale" warmwaterbron op langs de rivier. Er zijn heel gezellige baden omheen gebouwd, al heeft het wel iets weg van de "grotten" in het "playboy mansion"...

In Lhasa nemen we de trein naar Golmud. De "Qinhai Railway" werd vorige week met veel toeters en bellen geopend door de partijvoorzitter en enkele prominente rode kornuiten op de vijfentachtigste verjaardag van de Partij. Het vuurwerk boven Lhasa mag er geen twijfel over laten bestaan over wie hier de plak zwaait.

De trein rijdt door een oneindig ruw landschap. De uren gaan voorbij zonder dat we ook maar een woning te zien krijgen. Nu en dan merkt een reiziger een gazelle of een haas op en prompt verdingt de volledige treinbevolking zich aan een kant voor de ramen. De trein gaat niet onder vierduizend zeshonderd meter en zelfs over vijfduizend meter. Onder elke stoel zit een zuurstofvoorziening die door middel van een slangetje onder je neus kan voorkomen dat je last van de hoogte krijgt.

Voor ons groepsvisum verstrijkt moeten Stijn en ik het verlengen en laten splitsen. Heel wat keren op en neer naar het politiebureau en het dubbele tarief omdat we elk een visum in ons paspoort willen. Anders kunnen we niet van elkaar vandaan en zouden we in principe samen de grens over moeten.

We hebben het al lang gemerkt, het is enkel geld dat de klok slaat.

writer's block

Waarde lezer,

Ik weet het, ik weet het, ik weet het, het hoort niet, het staat niet en het zou niet mogen zijn! De aanvullingen blijven uit... Fanny is vandaag naar huis vertrokken met 21 CD ROMs vol foto's in haar rugzak. Zij gaat een selectie maken van onze reis samen en neemt ook het verslag voor haar rekening.

Al eens geprobeerd met een Chinese versie van Windows te werken? Mij lukt het dus niet!

Op 15 augustus komt mijn moeder in Peking aan. Op 22 augustus nemen mama en ik de trein uit Beijing naar Ulan Bator, waar we de volgende dag aankomen. Op 1 september nemen we de trein naar Moskou, waar we vier dagen later aankomen. Maar laat ik liever inhalen dan op de gebeurtenissen vooruit te lopen...

15 juli 2006

Enfield rijden in India, de balans

Stijn en ik hebben alle kosten gedeeld. Deze afspraak maakten we in Bombay toen we overlegden wie met de jonge en wie met de oude motor zou toeren. De vermelde kosten tellen dus voor twee motoren.

Beide motoren zijn voorzien van een schijfrem vooraan, wat standaard enkel op het 500cc. model zit. Wij zijn helemaal voor die rem gewonnen, de trommelrem is zo goed als waardeloos. De degelijke rem heeft ons menig ongeluk bespaard. Een voorwiel met schijfrem kan voor ca. 6000 Rs gemonteerd worden. Helmen in India zijn niet overal verplicht, maar als je je duizenden kilometers op slechte wegen tussen verstrooide chauffeurs en koeien begeeft zou je wel gek zijn om er geen te dragen. De kwaliteit is een lachertje, maar een polystyreen vormpje met een dun laagje hard plastic er overheen is beter dan niets, toch?

Een nieuwe Bullet 350cc. kost iets van 72000 Rs.

Op het moment van de aankoop kocht ik voor 1 EUR 57 Indische Roepies (Rs)

AANKOOP:

- Royal Enfield Bullet Standard, 350cc. eencilinder, oude 6V bedrading naar 12V omgezet & 12V accu, onsteking d.m.v. "vis platinees", kickstarter, bouwjaar 1986, ca. 60000km op de teller
(gereviseerde motor, schijfrem vooraan, opnieuw gespoten, ziet eruit als nieuw)
We betaalden 40000Rs bij gebrek aan andere keuze, deze prijs kon de dealer krijgen voor uitvoer naar Duitsland, dus dat was de prijs die hij ervoor wilde.

- Royal Enfield Bullet Electra, 350cc. eencilinder, 12V accu en bedrading, electronische onsteking, kickstarter, bouwjaar 2003, ca. 13000 km op de teller, van eerste eigenaar
(motorfiets vertoont lichte sporen van valschade, schijfrem vooraan)
We betaalden er 48000 Rs voor.

"No Objections Certificate", registratie- en verzekeringspapieren plus blanco formulieren om verandering van eigenaar te laten registreren, ondertekend door vorige eigenaar werden voor beide motoren meegeleverd. Je hebt een maand de tijd om je motor officieel op je naam te laten registreren, maar gezien de aankoopdatum nergens wordt vermeld kun je die steeds verzinnen. Enkel invullen in geval van ongeval, zo doet (bijna) iedereen het. (Diegene met papieren tenminste, want er zijn er ook die een motor zonder papieren kopen...) Registreren op je eigen naam vergt inzicht in het Indische administratieve apparaat en dat is een gave die enkel Indiers is gegeven, trust me! Neem een "advocaat" die het klakken van de zweep kent onder de arm.

Het N.O.C. of "No Objections Certificate" is van groot belang als je de motor in een andere staat wil verkopen dan die is geregistreerd. (motor met nummerplaat met MH hoort thuis in Maharashtra, PB in Punjab enz.) Je motor is ook meer waard met de goede papieren!! Je vergroot tevens je kansen op verkopen, want op Enfield beluste Indiers kijken niet om naar een motor zonder papieren.

Controleer de datum waarop je verzekering verloopt. Verzekeren is heel duur want gaat voor meerdere jaren ineens en het kan een argument zijn om een flink stuk van de prijs af te doen mocht de motor niet verzekerd zijn.

VERKOOP:

Binnen de week na te koop stellen hebben we ze verkocht, helaas diep onder onze initiele vraagprijs. Model 2003 voor 790$ aan een Israeliet, model 1986 voor 22000 Rs.aan een jonge Indier uit Manali.

ENKELE CIJFERS :

We legden in bijna drie maanden (van april tot eind juni 2006) zo'n 5800 km af, betaalden samen 19478 Rs aan benzine en hadden samen 2905 Rs omkosten aan de motorfietsen. Beide motoren deden ongeveer 30 km met 1 liter benzine. De jonge motor reed iets zuiniger.

RESERVESTUKKEN :

- zorg dat je een gereedschapskit hebt, deze wordt normaal bij de motor geleverd door Royal Enfield. Er zou een Engelse sleutel, een schroevendraaier met meerdere kruis- en platte bitsen, enkele kleine steeksleutels en een bougiesleutel moeten in zitten. Zelf had ik mijn "Leatherman" bij en die is goed van pas gekomen.

- throttle cable 40 Rs, clutch cable 40 Rs, elektrische spoel (merk Lucas) 190 Rs, vis platinees 95 Rs, bougie (merk Mico/Bosch) 40 Rs

- nieuwe buitenbanden kosten ongeveer 600 Rs, binnenbanden ca. 150 Rs, lekke band laten herstellen 30 Rs per lek. (ideale bandenspanning vooraan 21 PSI, achetraan 26 PSI) Een nieuwe kettingkit (2 tandwielen en een ketting) kostte ons 625 Rs. De kost van de werkuren is verwaarloosbaar. Een nieuwe accu kost 700 Rs.

ZWAK PUNT :

De accu warmt enorm op bij het laden tijdens het rijden. In het hete klimaat kookt het vocht af en toe uit (5 keer in 3 maanden). Dan is de batterij nutteloos en branden alle lampen die je motor rijk is door (pas als je ze aansteekt natuurlijk). Je kan de accu met drinkwater uit je fles bijvullen. Dit gaf geen problemen, al was het water zeker niet gedemineraliseerd..

De bougie wordt snel vuil ten gevolge van de onzuivere benzine in India. Schoonmaken met een mesje of schuurpapier is de boodschap. (Test of je een vonk krijgt door de bougie in de bougiekap tegen de koelribben van de cilinder te houden en de kickstarter naar beneden te trappen.)

BENZINE :

Wij vertrouwden enkel op de benzine van Indian Oil. We tankten een paar keer bij een andere merk en moesten al na 200 km de bougie schoonmaken. Het kan ook toeval zijn dat we keer op keer vervuilde benzine kregen bij andere merken...
Er bestaat een benzinefiltertje dat in het slangetje tussen de tank en de carburator wordt geplaatst. Bij mij was dit plastic filtertje slecht dichtgelast en ik verloor daardoor heel wat benzine.
Een keer is er 5 liter uit mijn tank gepikt, slangetje los, kraantje open en fles eronder. Simpel. Is even simpel te verhinderen door een benzinekraantje met slot te laten monteren.
Benzine is vrij duur in India vergeleken met andere Aziatische staten (46 tot 52 Rs/liter.)

WAAR KOPEN?

Wij hebben duidelijk veel te veel betaald voor onze motoren. Hoewel dealers misschien meer vertrouwen inboezemen dan de doorsnee reiziger die zijn Bullet snel kwijt wel is de tweede optie zeker de goedkoopste en niet noodzakelijk de slechtste. Wij raden onze dealer in Bombay (Premji) dus niet aan. 's Winters bevindt de markt zich net achter de palmstranden in Goa en 's zomers is het in Manali, Dharamsala-MacLeod Ganj-Dharamkot te doen. Wat niet wegneemt dat er nergens anders motoren te koop staan, natuurlijk.

WELKE BULLET KOPEN?

Ons advies is niet bij de eerste de beste rastaman te rade te gaan. Veel Israelieten rijden op aftandse roestbakken van niet meer dan 500$ rond. Goedkoop in aankoop, maar duur in onderhoud.
Koop liever een model dat niet ouder is dan vier jaar en betaal er ook niet meer dan 35000 Rs voor. Met een beetje geluk verkoop je de motor zes maanden later voor dezelfde prijs of met 5000 Rs "verlies" en toer je tenminste op een betrouwbare motor door India. Waarschijnlijk zijn de papieren nog niet verloren gegaan, is de motor nog voor zo'n tien jaar verzekerd en is de gereedschapskit nog aanwezig. Het aantal kilometer op de teller is niet van tel voor het bepalen van de prijs van een Bullet. Het bouwjaar is het allerbelangrijkste! Daar zijn we tot vervelens toe op gestoten toen we het model 1986 wilden verkopen. Onvoorstelbaar, maar het is zo.

Heb je meer koppel nodig dan de 350CC. kan leveren? Naar onze mening niet. Zelfs niet in de Himalaya. Op de beste wegen reden we nooit harder dan 80km/u. Mocht je met 2 op de motor zitten en dubbel zoveel bagage moeten dragen is een 500cc. te overwegen, maar enkel als je naar de Himalaya gaat, vinden wij.

NEEM HET VAN ONS AAN :

Stop niet aan grensovergangen tussen de verschillende staten tenzij je echt niet anders kan. In het zuiden is het naar verluid big business om buitenlanders op Enfields bogustaksen te laten betalen. (tussen Goa, Karnataka, Kerala, Tamil Nadu) Het is en blijft India en "baksheesh" is overal gegeerd... Laat je burgerlijke ongehoorzaamheid doorgaan voor het verkeerd interpreteren van bevelen en gebaren. (zwaaien en doorrijden dus)

Je kan naar het schijnt zonder problemen in en uit Nepal rijden met je in India geregistreerde motor. Of je makkelijk kan verkopen weten we niet.

Meestal zal een agent je met respect behandelen en met een brede glimlach naar je reisplan informeren. Maar als je zoals ik teruggefloten wordt bij het inrijden van een eenrichtingsstraat kun je maar beter doorrijden tenzij je graag het politiebureau wil zien of baksheesh wil betalen. Agenten zijn zelden gemotoriseerd en hebben vaak ook geen walkie talkie.

Veel mensen vertelden ons dat motorrijden in India "insane" is. Had het ons na de eerste week gevraagd en we hadden het beaamd. Na drie maanden kunnen we besluiten dat het wel degelijk al je concentratie vergt, maar dat vrachtwagen- en andere bestuurders ook vaak rekening met je houden en je waarschuwen als je wil inhalen terwijl er een tegenligger aankomt. Als je defensief rijdt en je positie op de weg afdwingt zal je er niet voor omver gereden worden. Het is een jungle, het is bij momenten levensgevaarlijk, maar dat is het in Europa soms ook, vind ik.

Volgens ons is er geen betere manier om te reizen in India!

24 juni 2006

pa gaat met pensioen


Het heeft weinig of niets met deze reis te maken, maar laat me van de gelegenheid gebruik maken om twee mensen in de bloemetjes te zetten. Mijn vader werd in april vijfenzestig en gaat per 1 juli dus met pensioen. In 1953 kwam hij als leerling naar het Bisschoppelijk College van Veurne. En daar is hij gebleven met uitzondering van de jaren van zijn opleiding aan de normaalschool van Torhout, zijn legerdienst en het jaar dat hij als eerste mannelijke leerkracht aan de slag kon in het Annuntiata Instituut in Veurne.

De vroege jaren van zijn loopbaan bracht hij door in de Duinenstraat in De Panne. Het College had daar destijds een eerstegraadsafdeling opgericht als antwoord tegen het gemengd maken van het Immaculata in De Panne. Het moet een heel gezellige tijd geweest zijn, te merken aan de manier waarop hij erover vertelt. Sinds 1979 of 1980 fietst hij dagelijks twee keer op en af van huis naar Veurne. Het is een zegen dat een mens zoveel schik kan hebben in zijn of haar beroep. Iets wat ikzelf ook graag zou willen meemaken.

Mijn moeder verdient minstens evenveel lof voor haar werk achter de schermen. Het werk dat maar al te vaak vanzelfsprekend wordt geacht en waarvoor geen pensioengerechtigde leeftijd bestaat. Als Ward en ik van school -en later van het werk- kwamen stond ze steeds klaar met lekker eten, was het huis schoon en lag de kast vol schone kleren.

Na deze reis ga ik met mijn lief Fanny samenwonen in Brugge en komt en komt er een eind aan zevenentwintig fijne jaren onder moeders vleugels. Papa, gefeliciteerd met je pensionering en ik wens jou en mama nog vele jaren om van jullie vrije tijd te genieten. Al schijnt dat begrip menig gepensioneerde vreemd te zijn. Eerlijk gezegd verwacht ik niet dat het bij jou anders zal zijn.

21 juni 2006

Ladakh & Kashmir


Leh is de voormalige hoofdstad van het koninkrijkje Ladakh dat in 1947 bij de Indische republiek werd ingelijfd. Het is een ideale uitvalsbasis om de talrijke bezienswaardigheden in de omgeving te bezoeken. Zo kunnen we zonder bagage door het prachtige landschap brommen. In het klooster van Spituk zijn monniken een zandmandala aan het maken. Objectief gezien een heleboel in elkaar verweven geometrische figuren bestaande uit gekleurd zand. Het duurt meer dan een week om het met vier mensen af te werken. Echt monnikenwerk dus. Daarna wordt het vijf dagen vereerd in de puja waarna het in de rivier gestort wordt.

In Stok staat het buitenverblijf van het voormalige koningshuis. Enkel de oude koningin slijt hier nog haar dagen. Een mooie collectie thanka´s en kroonjuwelen siert het kleine museum. Op de vlakte van Shey staan honderden wit gekalkte chortens schijnbaar willekeurig verspreid. Diep verscholen in een kloof ligt het klooster van Hemis. Net in deze uithoek van de wereld ontmoeten we een Brugs koppel dat ook met de motor op toer is.

Na vijf dagen laten we Leh achter ons en rijden in westelijke richting door de vallei. Het is zo´n weg door een lichtglooiend, kaal landschap waarvan je het einde niet kan zien. Zo stel ik me de wegen door Colorado of Utah ook voor. Aan de benzinepomp ontbreekt enkel een bordje met daarop "last petrol station in 400 miles" om de sfeer compleet te maken. We belanden in Alchi, volgens de Ladakhi zelf de mooiste plaats in Ladakh. Er staat een eeuwenoude gompa, maar ik ben nog meer onder de indruk van de groene oase temidden van de droge, bruine woestenij. (zie foto) De bergriviertjes zijn op doordachte wijze gekanaliseerd tot een doeltreffend irrigatiesysteem waardoor iedereen naar believen zijn akker kan bevloeien. Heel wat verder stroomafwaarts, in het huidige Pakistan, bloeide vijfduizend jaar geleden de hoogstaande Indusbeschaving langs de oevers van deze machtige rivier. De naburige plaatsen Rizong en Likir huisvesten beide klooster-scholen. Die van Rizong is tegen een goed beschutte bergflank aangebouwd en is een aaneenschakeling van nauwe steegjes verbonden door ongelijke trappen. De jongste monnikjes schat ik niet ouder dan zes. Ons hotel in Alchi ligt in de oude dorpskern dat rond een centrale drinkvijver is gebouwd. De enige andere gast in ons hotel is Paolo, een Portugees die in Parijs woont en een leven buiten de maatschappij verkiest. Hij is de zoveelste die helemaal lyrisch wordt als het over Kashmir gaat. We waren van plan dezelfde weg terug te nemen naar Manali om het onrustige Kashmir te mijden in plaats van de cirkel rond te maken. Er is zeker dreiging, maar niet specifiek gericht tegen westerse toeristen. Sinds India en Pakistan in 2002 een pact sloten wordt de stad Kargil niet langer met granaten bestookt en staat het geweld in de stad Srinagar (letterlijk: Sint Stad) op naam van splintergroepen wiens motieven even uiteenlopend als onduidelijk zijn. Paolo verzekert ons dat er geen sluipschutters in de bomen zitten en de acties zorgvuldig gepland worden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat twee voorbijrijdende motorrijders spontaan gekidnapt zullen worden. We laten er een nacht overheen gaan voor we besluiten het erop te wagen.

Op weg naar Kashmir is nog een laatste stop in Ladakh voorzien. De weg keert de indusvallei de rug toe en slingert door een reeks smalle kloven. Het landschap blijft ons verbazen. Na een helse klim komen we in het zelfverklaarde “maanlandschap”terecht. Een tot de verbeelding sprekende vergeljiking die ik graag voor waar aanneem. De gompa van Lamayuru prijkt op de hoogste rots in de vallei. Er is een gastenverblijf in het klooster en we krijgen er een cel toegewezen op de bovenste verdieping. Samen met Gary, een professioneel zeiler uit Australier, slaan we twee flessen “chang” achterover. Dat is een gegist goedje op basis van de graansoort “barley”. Het is spotgoedkoop en vanwege de artisanale bereiding is het alcoholpercentage niet te bepalen... 's Nachts experimenteer ik met mijn camera met lange sluitertijden om de sterrenhemel of een vrachtwagens koplampenspoor te fotograferen.

Voorbij Lamayuru klimt de weg tot een pas, de natuurlijke grens tussen het Boedhistische Ladakh en het Islamitische Kashmir. De borden langs de weg zijn in Urdu, een schrift met veel krullen dat ik niet van het Arabisch kan onderscheiden. Mannen gaan in typische moslimkleren gekleed en een gesluierde vrouw is eerder regel dan uitzondering. In Kargil krijgen we te maken met de niets ontziende handelsgeest van de Kashmiri’s. Even in het kort: we hebben de keuze tussen een spotgoedkoop hotel zonder warmwatervoorziening en een veel te duur hotel met warmwatervoorziening. Gegarandeerd zelfs! Eens ingecheckt blijkt er geen warm water uit de kraan te komen en zou het enkel 's ochtends voor handen zijn... Om half zes worden we gewekt met een onsamenhangend verhaal dat ons door het raam toegefluisterd wordt. We poeieren de geheimzinnige stem af en verzoeken hem kordaat ons te laten slapen. Om acht uur constateer ik in de badkamer dat er enkel ijskoud water uit de kraan komt. “Jamaar, ik heb jullie nog gewekt...”, is het antwoord alsof het mijn schuld is. “Er waren zeven Chinezen en die hebben al het water opgebruikt...” Dat voor een hotel met dertig kamers! Ik word behoorlijk moe van dit soort situaties en de bijbehorende welles-nietes discussies.

Onderweg naar Srinagar kruisen we een militair konvooi van meer dan honderd vrchtwagens. Wat een troepenmobilisatie voor een land in vredestijd! Militairen met metaaldetectoren speuren naar landmijnen en staan sceptisch tegenover de goede bedoelingen van de Pakistaanse president, generaal Musharaf. De weg loopt door groene valleien met nomadenkampen. Herders leiden hun kuddes schapen en geiten van de ene graasweide naar de volgende. Een herder met een lam in zijn nek doet me aan de illustraties in de kinderbijbel denken. Een horde loslopende paarden schrikt op als we langskomen en rent vervolgens een paar honderd meter met ons mee. Fenomenaal! Als ons verhaal ooit verfilmd wordt moet deze scene er zeker in!

Uitgeregend rijden we over Zozila La tot Sonamargh, een druk bezocht hindoepelgrimsoord in islamitisch gebied. Hierna gaat het vertrouwde berglandschap abrupt over in vlak land. De natte rijstvelden glimmen in de avondzon en indrukwekende platanen staan statig langs de weg. Verspreid over de hele tachtig kilometer tussen Sonamargh en Srinagar staat zonder overdrijven elke honderd meter een agent of militair met een M16 of een Kalashnikov over de schouder elke beweging nauwlettend in de gaten te houden. Hun verveelde blik fleurt zienderogen op als we vriendelijk een hand opsteken. Srinagar is een grote stad en lijkt wel bezet gebied. Uit gepantserde politieposten op kruispunten steken lopen van zware machinegeweren. Dit alles staat in schril contrast met de serene, feeerieke omgeving van onze woonboot op het Dalmeer. Gondels begeven zich op het meer en voorzien het transport tussen woonboten en de wal. Stijn en ik bemannen een bescheiden, doch gerieflijk exemplaar. Het is zalig zwemmen en roeien en het avondeten wordt op het achterdek geserveerd. Een gondel met drank en eten meert af aan onze steiger om zijn koppwaar aan te bieden. Veel idyllischer kan het volgens mij niet worden. Stijn en ik kunnen met moeite de lach bedwingen als onze gastheer, een man van honderddertig kilo, door de vloer van zijn schip zakt. In plaats daarvan helpt Stijn hem met de reparatie. Ons onvergetelijke verblijf op Dalmeer wordt overschaduwd door onenigheid over de prijs. Het is altijd hetzelfde liedje met die Kashmiri’s, vooraf nooit duidelijkheid geven over de prijs, het luidt steevast “no problem” en “as you like” tot er een gepeperde rekening wordt gepresenteerd.

Onderweg naar Dharamsala rijden we voor het eerst door een tunnel. Als enthousiaste kleine jongens het hele eind nodeloos toeterend en onder de indruk van de weergalm van ons motorgebrul. VRRROOOOAAARRRRR!!! Net als in de strips van Michel Vaillant. Dharamsala (letterlijk: toevluchtsoord), het ballingsoord van de Dalai Lama en vele andere Tibetaanse vluchtelingen ligt op de grens tussen de Indische vlaktes en de Himalaya. Tweehonderd kilometer lang worden we eraan herinnerd hoe onze reis ruim twee maanden geleden in deze verzengende hitte begon.

Zijne Hoogheid is weer thuis en bereidt zich voor op tien dagen college geven. Dat trekt mensen van heinde en verre aan en om die reden zitten alle hotels in het centrum vol. Net als drie jaar geleden zoeken we een onderkomen in Dharamkot. Wat drie jaar geleden een rustig gehucht was met enkele hotels en restaurants is nu een boomende toeristenplek. Wat een verschil! Onze motoren staan geparkeerd tussen twintig andere Enfields waarvan er vijftien te koop staan. Aftandse bolides tegen weggeefprijzen. Daar zijn we niet tegen opgewassen en bij de motorwerkplaatsen verklaart men ons net niet gek met onze vraagprijs.

In 2003 zag ik een prachtig handgeknoopt tapijt in een weverij waar Tibetaanse vluchtelingen aan de kost komen. Ik had achteraf een beetje spijt dat ik het destijds niet had gekocht en bestel daarom een identiek exemplaar. In mijn zoektocht naar fijn afgewerkte thanka’s word ik tot bij het atelier van de gebroeders Norbu geleid. Oeval of niet, maar de oudste van de drie broers woont en werkt in Gent! Het koren onderscheidt zich hier duidelijk van het kaf, want deze jongens schilderen thanka’s van wereldklasse! Ik word er gastvrij onthaald en mag hen fotograferen terwijl ze aan het werk zijn.

We schatten de kans dat we de motoren hier kunnen verkopen veel lager in dan in Manali. Onderweg daarheen komt een kei op mijn helm terecht op het moment dat we langs een steile bergwand rijden. Stijn hoorde de tik en informeert of ik weet wat het was... Gelukkig kwam die steen precies op mijn helm terecht en niet in mijn gezicht of op de tank! Het regent. We schuilen. We rijden door. We halen dezelfde bui weer in. Vijftien kilometer voor Manali werken we ons door een reeks scherpe bochten. Stijn rijdt voor me een bocht in wanneer zijn motor plotseling onder hem uitschuift. Ondanks zijn lage snelheid spatten vonken uit de beschermbeugels van de motor! Ik schrik me rot, hij ongetwijfeld ook. De oorzaak is een spekglad oliespoor op de plek waar hij zijn bocht aansneed. Stijn is quasi ongedeerd, op twee schaafwondjes en een blauwe plek na. Gelukkig hadden we tijdens de regenbui al onze dikke kleren aangetrokken! Eind goed al goed, en Stijn is zelfs een beeje trots op zijn valpartij... Ja, ’t is een speciale jongen, hoor.