
Het is drie maanden geleden dat Thomas is vertrokken. Nu was het mijn beurt om in het vliegtuig te stappen richting Azië. Samen met Laila, de vriendin van Stijn, vertrek ik vanaf Schiphol naar Chengdu. Ik vlieg Thomas tegemoet. Gelukkig is ook hij blij mij weer te zien. Op de luchthaven van Chengdu zie ik er eentje boven de massa uitspringen. Hij heeft een baard en ruikt al een beetje naar Chinees, vind ik. Aan die baard kan wat gedaan worden en aan die geur raak ik wel gewoon.
Het dringt niet echt tot me door dat ik nu in China ben. China leek altijd zo ver weg. Alles ziet er anders en onbekend uit en er zijn zoveel mensen. Het wordt een hele aanpassing, maar ik heb er zin in. We blijven enkele dagen in Chengdu hangen. Het uurverschil speelt me 's nachts wel parten, maar na een dag of drie zit ik al op schema. We bezoeken het "Giant Panda Breading Center". De panda’s hebben er een mooi verblijf en zitten niet in kooien opgesloten.
Na drie dagen Chengdu vertrekken we naar Emei Shan. Een busrit van twee uur en een half. Een erg korte afstand vergeleken bij de busritten die nog zullen volgen. De buschauffeur wil ons voor een fooi van 10 Yuan wel afzetten aan een hotel. Zo komen we in Baoguo Si terecht in het "Teddy Bear Hotel" aan de voet van Mount Emei. De eigenaar is er trots op dat hij een backpackers-hotel heeft, maar na twee dagen wil hij ons wel de kamer uit omdat hij die al gereserveerd had voor een groep Franse chichi madammen. Ik moet mijn kamer met badkamer en airco ruilen voor eentje met ventilator en zonder badkamer. Voor het eerst heb ik geen Westerse WC meer, maar hang ik boven een gat in de grond. Ik had het er toch even moeilijk mee.
Vanuit Baoguo Si maken we een daguitstap naar Leshan. Er rijdt geen bus meer de eerste uren, maar in China is dat geen probleem, want er staat al een minibusje klaar. Als je maar genoeg mensen bij elkaar krijgt die naar dezelfde plaats willen dan kom je er wel. In Leshan staat de grootste Buddha van China. 71 meter hoog en in een rotswand uitgehouwen. Alleen al zijn oren zijn 7 meter lang. Volgens de Lonely Planet kan je picknicken op zijn tenen, maar we kiezen er niet voor om langs de Buddha tussen horden toeristen naar beneden te lopen. We varen met een speedbootje langs de Grand Buddha. Vanop het water heb je een veel beter zicht op het geheel. Het is een indrukwekkend zicht. Ondertussen ben ik ook wel te vinden voor de Chinese keuken. Aangezien eten bij mij vroeger wel eens een moeilijke aangelegenheid durfde te zijn, had ik toch wat bedenkingen gehad vooraf. Maar de gerechten zijn eigenlijk heel lekker. Helemaal anders dan de gerechten bij de Chinese restaurants in België natuurlijk, heel wat pikanter, maar lekker!
Meer dan de Grand Buddha en lekker eten heeft Leshan niet te bieden en we rijden terug naar ons hotel. Voor het eerst tijdens mijn reis merk ik dat het niet evident is om het openbaar vervoer te gebruiken wanneer je de taal niet spreekt. In het busstation worden we op een bus gezet en wij zijn zo naïef om te denken dat die rechtstreeks naar ons dorpje zal rijden. Pas vier bussen verder zijn we op onze bestemming. Dat gebrek aan communicatie zorgt voor veel frustratie. Men wijst je een aan bus, maar je weet niet waar je de volgende moet nemen. Ze wijzen in een bepaalde richting, maar of ze nu willen zeggen naar rechts, naar links of rechtdoor kun je daar niet uit opmaken. Een meisje is zo lief om ons naar de volgende bus te leiden, maar wij lopen achterdochtig achter haar aan. “Waar brengt zij ons nu weer naartoe?” Terwijl ze gewoon echt vriendelijk was. Sprak ik maar Chinees, denk ik vaak.
Het dorpje waar we logeren ligt aan de voet van een berg. Het zou een echte attractie zijn als je de hoteleigenaar moet geloven. Maar het zou geen Chinese berg zijn als je niet zou moeten betalen om erop te mogen. Echt alles moet hier geld kosten. 12 euro om een berg te beklimmen. 6 euro om een kabelbaan te nemen. Het stikt er dan nog eens van de Chinezen en veel plezier beleven we niet op die berg. Ook vooral omdat we een verkeerde afslag nemen en veel vroeger dan gepland terug op de parking uitkomen. Nu ja, erg spectaculair was het allemaal niet, want je zag geen 10 meter voor je uit door de mist.
Nu we alles in de buurt gezien en gekeurd hebben, reizen we verder. Met de trein dit keer. We komen ruim op tijd aan in het station. Het regent pijpenstelen. We kiezen een hoekje uit en wachten. Nu en dan komt een Chinees ons eens goed bestuderen. Ongegeneerd kijken ze je secondenlang aan, soms zelfs minuten. Ik weet niet waar te kijken. Thomas kijkt terug en dan wenden ze hun blik snel af, alsof je niet door hebt dat ze je zitten aan te staren. Ik zou geld kunnen vragen om mij te mogen bekijken, zij vragen trouwens ook voor alles geld.
De hele stationshal ruikt naar de toiletten die ernaast liggen. Toch kan ik niet anders dan er ook eens gebruik van te maken. Ik kies resoluut voor de laatste WC, want mijn witte kont zou ook daar voor opschudding kunnen zorgen. Er zijn namelijk geen deuren, maar gewoon muurtjes tussen de gaten in de grond. De geur is niet te harden. De treinen worden omgeroepen en dan gaan mensen voor een hekken in een rij staan. Als het onze beurt is, blijkt dat de trein vertraging heeft. Rond een uur of elf ’s avonds mogen ook wij in de rij gaan staan. Althans, ik dacht dat het een rij was, maar hier en daar kruipt er een Chinees tussen. Zouden ze aan het voorsteken zijn?
We mogen het perron op. Vrouwen met luidsprekers sturen je de juiste richting uit. Alle mensen voor wagon 10 moeten in een rij gaan staan. De vrouw met de luidspreker spreekt kordaat, ze lijkt wel van het leger te zijn. De trein komt het station ingereden. Een immense locomotief, een grote koplamp en de regen die met bakken uit de lucht valt. Het doet je ongewild aan Schindler’s List denken. Luidsprekers, geroep en dat allemaal niet begrijpen. Een wagon ingeduwd worden op zoek naar je slaapplaats. Eng. Het is een slaaptrein. Wij hebben kaartjes voor de "hard sleeper". Daar slaap je met zes samen in een compartiment. We rijden richting Panzihua.
Na een lange treinrit volgt een busrit. We willen naar Dali. In het busstation koopt een man kaartjes voor ons zonder dat wij hem dat gevraagd hebben. Hij kan ons geen geld teruggeven en maakt dus winst. We worden een bus aangewezen en wij hopen maar dat deze de juiste richting uitrijdt, want wat er precies op ons kaartje staat, is ons een raadsel. Het lijkt ook allemaal Chinees dat Chinees. Eens opgestapt blijkt die bus niet zomaar een bus, maar een ligbus. Je kunt er zelfs niet rechtop zitten. Mijn maag vindt het maar allesbehalve om de hele tijd heen en weer geschud te worden. Ik hou niet zo van het schokken noch van de ongeasfalteerde wegen. Negen uur mogen we liggen. Dat vinden de Chinezen waarschijnlijk fantastisch, zij maken het zich graag gemakkelijk. Dat merkten we al op Mount Emei waar Chinezen zich naar boven laten dragen. De andere passagiers in de bus, Chinezen, roken en gooien hun as op de grond, ze gooien lege flesjes door het raam. Een “flessenverzamelaar” zal ze wel komen halen.
Niet alleen flesjes vliegen door het raam, ook menig rochel gaat die richting uit. Af en toe stopt de bus langs de kant van de weg. Blijkt dat dit de plaspauzes zijn. Maar geen wc te bespeuren natuurlijk. Aangezien de passagiers allemaal mannen zijn, besluit ik voor mezelf dat ik niet naar de wc moet. Dan hou ik het natuurlijk ook niet meer en vraag de chauffeur te stoppen. Ik zet me achter de bus om de blikken te ontwijken. Een voorbijrijdende motorrijder kijkt toch een paar keer om. Het kan me al lang niet meer schelen. Ik ben moe gelegen en geniet van het beetje buitenlucht. Negen uur later komen we aan in Xiaguan. Een taxichauffeur wil ons nog naar Dali brengen, maar tegen nachttarief hebben wij daar geen zin in. Ik wil slapen. We vinden vrij snel een hotel. Als we de volgende morgen uitchecken, zitten nog steeds dezelfde meisjes aan de balie. De uren die ze hier kloppen zijn ongelofelijk.
Met een stadsbus rijden we verder naar Dali. We checken in in Guesthouse nr 4, maar krijgen algauw spijt van onze beslissing. De muren zijn beschimmeld, de kraan lekt en het ruikt er muf. Het regent, je wordt kletsnat en het droogt helemaal niet op. Na een weekje China heb ik even genoeg van rochels, vieze WC's en Chinezen. Ik hoop dat mijn gemoed samen met het weer zal opklaren. Aangezien het regent en je nergens heen kunt, besluiten we een film te bekijken. Het wordt de “Da Vinci Code", een gekopieerde versie weliswaar, want af en toe gaat de taal van Engels over naar Chinees, wat het volgen van de film wel erg moeilijk maakt. Je probeert dan te volgen via de Engelse ondertiteling, maar daar word je ook niets wijzer van. Die vertaling is soms wel erg bizar. Zo zei Tom Hanks “I am sorry” en in de ondertitels stond er “let". Same same...
Die avond liggen we nog lang te kletsen. We stellen het slapen uit, zijn bang om adem te halen, toch niet te diep. Al dat vocht en die schimmel... Ik lig in mijn lakenzak tussen de lakens. Ik ben vies van de matras en van het hoofdkussen. Alles is door de schimmel aangetast. Met het laken over mijn hoofd getrokken val ik pas laat in slaap. De volgende morgen wens ik geen minuut langer in het stinkkot te blijven. We vinden een ander hotel, “Hotel Wonderland”, en die mooie kamer doet echt wonderen met mijn gemoed.
Dali is erg toeristisch, maar dat zorgt er wel voor dat je er lekker kunt eten. Elke dag proberen we een ander restaurant en een ander gerecht. Als we op een middag echter willen afrekenen, blijkt een van onze biljetten vals te zijn. We verdenken het stinkhostal ervan ons vals geld te hebben gegeven en gaan erheen. Zij beweren bij hoog en bij laag dat niet zij ons dat valse biljet van 50 Yuan hebben gegeven. We dreigen met politie en zeggen we ook dat ze erg ons een“shitty” kamer verhuurden waar mensen ziek in kunnen worden. Een aantal pas aangekomen toeristen kijken ons verschrikt aan. Daarna herinnert Thomas zich dat we ook tijdens het ontbijt die morgen een briefje van 50 Yuan hebben gekregen. Daar wisselen ze het briefje heel snel, het lijkt alsof ze maar al te goed wisten dat ze een vals briefje hadden uitgegeven.
Dali is niet erg groot en al snel hebben we het dorpje wel gezien. We huren fietsen en verkennen de omgeving. We rijden naar de drie pagodes, een gerenoveerd tempelpark. Aangezien we binnen mogen aan het studententarief (onze studentenkaarten zijn jaren geleden verlopen, maar dat wordt niet gecontroleerd...) wagen we ons aan een bezoekje. Wat de Chinezen begrijpen onder restaureren lijkt verdacht veel op “opnieuw bouwen in beton". Het zal er allemaal wel mooi hebben uitgezien vroeger, maar we voelen ons bedrogen. Je ziet zo dat het niet authentiek is.
Later die avond worden we in het dorpje aangesproken door een visser. Hij vraagt of we niet mee willen met zijn bootje. Dat lijkt ons wel leuk en we spreken af voor de volgende dag. Op het bootje zitten vogels, dat zijn de eigenlijke vissers. Het zijn aalscholvers. Aangezien de vogels een touwtje om hun nek hebben, kunnen ze de vissen niet doorslikken. Als ze een vis hebben gevangen haalt de visser de vogel uit het water en laat hem de vis uitspugen.
Nu we alles in de buurt van Dali wel gezien hebben, trekken we verder. We nemen de bus naar Kunming. De busrit zou ongeveer vijf uur duren, maar het duurt langer omdat er wegenwerken zijn. Alles moet wijken voor de snelweg. Huizen staan half afgebroken langs de weg en je ziet dat het nog bewoond is. We rijden door naar de luchthaven en vliegen naar Xi'an. Daar komen we om 2 uur 's nachts aan. Er zou ons iemand van het hostal staan opwachten, maar njet, er staat niemand. Als we het hostal bellen om te vragen of ze wel een kamer voor ons hebben vrijgehouden, blijkt dat ze een luxekamer voor ons hebben gereserveerd. Dat was niet de afspraak en we laten een meisje van de airport shuttlebus een goedkopere kamer voor ons zoeken. We worden erheen gebracht, maar daar krijgen we te horen “no room". Het meisje achter de balie durft ons ineens niet in de ogen te kijken terwijl ze het zegt. We lopen boos weg en nemen een taxi naar het hostal waar we een kamer geboekt hadden. Na lang onderhandelen doen ze wat van hun prijs af. Ik ben gewoon blij dat we toch nog een bed hebben gevonden.
Wanneer we opstaan en Xi'an bij daglicht zien, zijn we op het eerste zicht niet zo opgetogen over de stad. Onze aankomst was dan ook niet erg vlotjes verlopen. Maar we moeten onze mening herzien naarmate we verder de stad intrekken. Na frietjes te hebben gegeten bij Dicos, een bezoek aan de "Bell Tower" en "Drum Tower", waar jongeren het beste van zichzelf geven op drums, voelen we ons al veel beter. Als we dan ook nog eens de gezellige drukte van het "Muslim quarter" induiken zijn we helemaal overtuigd.
Het hoogtepunt van ons verblijf in Xi’an moet echter nog komen: het "terracotta leger". De Chinezen tonen zich ook hier weer van hun beste kant. Drummen lijkt hier echt wel een nationale sport te zijn. Het is dan ook letterlijk ellebogenwerk om op de bus te geraken en een zitplaats te bemachtigen. Heb je geen zitplaats moet je weer afstappen. Heel logisch allemaal, waarom niet gewoon de mensen tellen bij het opstappen? We zijn natuurlijk niet de enigen die op het idee zijn gekomen om naar het terracotta leger te gaan kijken, maar gelukkig zijn de putten groot genoeg en kun je alles goed zien. Het is erg indrukwekkend, al die gebakken mannetjes. Ze zijn levensgroot. Ooit hebben er 7000 gestaan. Een Chinees wil met me op de foto, het is niet de laatste keer dat ze me dat vragen. Het bevestigt alleen maar mijn idee dat die Chinezen wat bizar zijn. Ik had geld moeten vragen.
Na Xi’an vertrekken we naar Pingyao. Het zou een authentiek stadje zijn. Daar kijken we naar uit. Natuurlijk weer een heel gedoe om de juiste bus te vinden. Ze kunnen hier heel hectisch doen waardoor je er nog minder van begrijpt. Het zal een rit worden van een uur of zeven. Over de middag is er een lunchpauze, maar net als ons eten wordt opgediend, wil de chauffeur weer vertrekken. Eten is hier duidelijk maar bijzaak. Even na de middag worden we plots aan een tolgate gedropt. We zouden er zijn, maar we zien niets, behalve een afrit van de autostrade en twee tolhuisjes. Verweesd blijven we achter, maar daar komt een bromfiets aangesnord. We worden naar het centrum gebracht. We vinden vrij snel een goedkoop hostal. Het dorpje lijkt op het eerste zicht erg authentiek, misschien is het dat wel. Het heeft in elk geval iets om er rond te wandelen. Er staan echt oude huisjes. We huren fietsen en rijden rond de oude stadsmuur. Het is leuk om er met een fiets door de stad te rijden, je komt in straatjes waar je anders nooit zou wandelen. Nog steeds staren de Chinezen ons aan. Ze zullen nog eens ergens tegenaan lopen of rijden.
We proberen ons te informeren voor een trein naar Beijing. We richting ons tot de “ inquiry office", zo stond het er toch, maar de dame spreekt natuurlijk geen Engels. Erg handig, zo'n inquiry office. Gelukkig stond er een hulpvaardige dame voor het loket. Geen slaapplaatsen meer voor de trein naar Beijing, enkel zitplaatsen op een slaaptrein. Dat zien we toch niet zitten. Dan maar met de bus.
Het lijkt niet te geloven maar telkens wij een bus moeten nemen, staat die op het punt om te vertrekken. Ook nu weer. We komen aan in het busstation op een Riksja en worden zowat de bus ingesleurd. We roepen nog "Taiyuan", want daar willen we naartoe, maar zij weten blijkbaar al waar wij naartoe willen. We ontmoeten twee Nederlanders op de bus. We kunnen eens kommer en kwel delen en dat doet deugd. Het klikt meteen. In Taiyuan moeten we naar een ander busstation en je raadt het nooit. De bus staat weer op punt om te vertrekken. Als we stoppen om te eten zijn we weer de attractie. Ik speel het spelletje mee en roep luid: “ Kijk naar mij! Ik ben wit!” Nu weten ze niet goed meer waar kijken.
Drie films later komen we aan in Beijing. En hoe... Opdringerige taxichauffeurs willen ons naar het centrum brengen. Ze sleuren je bijna hun auto in. Ze moeten van mij afblijven. We komen een prijs overeen met een minibusje. We worden gedropt aan een jeugdhostal waar we dachten een reservering te hebben. Niet dus. Geen kamers. Waarom bellen we dan? Even later komt de dame van het minibusje weer binnen. Ze maakt een hele scène. Ze wil meer geld omdat onze Nederlandse vrienden verder afgezet moeten worden. Lang leve goede communicatie. Wij willen niet meer betalen en de dame is zo koppig dat ze nu eigenlijk verlies doet. We vertrekken samen met Brenda en Aubrey naar een ander hostal. Daar zouden nog dormbedden vrij zijn. Geen enkele taxi wil ons meenemen. Tot zes keer toe houden we er een tegen, maar ze schudden allemaal hun hoofd. Wat precies het probleem is? Daar hebben we het raden naar. Te voet blijkt het een hele 'trot' te zijn. Brenda en Aubrey hadden een reservering, maar ze krijgen te horen dat ze hun kamer maar tot zes uur hebben vrijgehouden??? Gelukkig werkt Brenda zelf in een hotel en weet ze dat als je je creditcardnummer hebt doorgegeven, ze de kamer de hele nacht moeten vrijhouden. Plots is er dan wel weer een kamer vrij. Thomas en ik krijgen dan weer te horen dat er helemaal niets meer vrij is. Ik krijg het gewoon! Mijn rugzak zwier ik een eind verderop. Ik ben het zo beu! Thomas gaat opnieuw op zoek naar een ander hotel.
Gelukkig vindt hij nog een kamer. Om drie uur ’s nachts word ik uit mijn slaap gehaald door luid gehijg en gekreun. Het klinkt zo fake en het blijft maar duren. Hetgeen mij doet vermoeden dat het om betaalde seks gaat. Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik ze even later ruzie hoor maken. Niet genoeg gehijgd misschien? Na een uurtje nachtelijk entertainment slaap ik weer in om tegen de ochtend gewekt te worden door ruziemakende schoonmakers. Na één nacht in Beijing vind ik het er geweldig.
We verkennen de omgeving. Ons hotel ligt in de buurt van het "Tien'anmen plein". Wat een plein, door de smog en het mausoleum van Mao dat er midden in staat, kun je het einde niet zien. We gaan naar boven op de "Tien'anmen gate". We mogen geen rugzak meenemen. Er zouden wel eens pamfletten in kunnen zitten. Ook boven op de gate word je nauwlettend in de gaten gehouden door stewards. Het lijkt me beter om hier niet“liberez le Tibet”te roepen. Maar toch is het indrukwekkend om op de plaats te staan waar de republiek werd uitgeroepen.
's Avonds hebben we afgesproken met Brenda en Aubrey. We gaan "Peking eend" eten. Dat restaurant vinden is een ander paar mouwen. Vooral frustrerend dat die Riksja’s je de hele tijd achtervolgen, want ze willen je er naartoe brengen. Je weet dat je in de buurt bent, maar ze willen niet zeggen langs waar je moet lopen. Ze willen je kost wat kost brengen. Je zou ze een zetje geven. We lopen door een wijk die met de grond gelijk gemaakt zal worden. Tja, Beijing wil allicht een goede indruk maken tijdens de Olympische Spelen. Elke dag verandert het landschap. Uiteindelijk vinden we het restaurant. Een jongen die later ‘ I love you’ zegt tegen Thomas brengt ons erheen. Ik vond al dat hij Thomas zo indringend aankeek. Het zal die oorring zijn. Gisteren op de bus had hij ook al “touche”. De kok komt onze eend tonen: “ this is your duck”. We hebben de neiging te zeggen “ hello, duck”, maar hij is al bruingebakken. Peking eend smaakt! Vele biertjes later keren we terug naar huis.
Wat fijn als er ’s morgens aan je kater gedacht wordt. We zijn al van kamer veranderd, maar het blijft gewoon een noisy hotel. Rond kwart voor zes lopen hier elke ochtend rochelende Chinezen door de gang te roepen en lawaai te maken. Rücksichtlos zouden de Duitsers zeggen, asociaal in het Nederlands dus.
Al is Beijing dan een grootstad, het nodigt wel uit om er met de fiets rond te rijden. Ik ga samen met Brenda en Aubrey met de fiets naar het zomerpaleis. Thomas gaat ondertussen een paar ambassades langs om zijn Mongools en Russisch visum te regelen. Het is een hele rit naar het paleis over stoffige wegen. De straatvegers zijn duidelijk een paar stukjes vergeten. We fietsen er ongeveer twee uur op en nog zijn we de stad niet uit. We bereiken wel de vierde ring, van de negen. Het paleis ziet er mooi uit, maar alweer erg druk. Wel jammer dat we geen vorstelijke vertrekken te zien krijgen. Thomas had weinig succes bij de Chinese visumdienst. Ze willen zijn visum niet verlengen ook al heeft hij maar een week extra nodig. Ze kunnen hier echt moeilijk doen. Zelfs als je een treinticket kunt voorleggen waarop staat dat je het land zult verlaten, kunnen (of willen) ze niets voor je doen.
Als je in China bent, moet je natuurlijk een stuk van de "Muur" hebben gezien. Wij bezoeken een stuk dat nog niet uitgebaat wordt en dus nog niet gerestaureerd is. Na een busrit van drie uur volgt direct een ferme klim. De gids zet een aardig tempo in naar boven. Het is er prachtig. De muur is erg spectaculair. Het doet na dagen stad ook eens deugd om gewoon in de natuur te vertoeven. Weg van een drukke stad vol smog. Af en toe wordt de rust wel verstoord door luidruchtige, onzin verkopende Amerikanen, maar ik mag me er van Thomas niet te opzichtig aan ergeren. We kiezen de kopgroep en laten de Amerikanen achter ons. We hebben geen zin in geleuter over het weer, maar willen genieten van de muur. Het uitzicht is inderdaad wel wat beperkt, maar ik kan me helemaal voorstellen hoe het er moet hebben uitgezien. Dit is niet zomaar een muurtje. De afdaling wordt vooral gesierd door glijpartijen. Het pad is steil en met kiezeltjes bezaaid. Tot twee maal toe ga ik door de knieën voor de Chinese bergen. Ook Thomas glijdt uit tijdens een imitatie van Lucky Luke. Met een been in de afgrond, maar toch maar met een grassprietje tussen zijn lippen. Ik schrik, maar kan toch mijn lach niet bedwingen. Een Spaanse met een kort rokje gaat op haar achterwerk naar beneden en gunt zo de gids een blik onder haar rok. Beneden gekomen krijgen we een maaltijd en dan mogen we weer de bus op. Het ruikt er stukken minder fris dan in het doorgaan. Mijn fijngevoelige neus registreert allerlei zweetgeurtjes. Maar de uitstap was zeker de moeite waard.
Wanneer we de "Verboden Stad" bezoeken zijn we verbaasd dat er geen elektrische wagentjes rondrijden. Want elk park of tempelcomplex heeft zulke wagentjes. Chinezen lijken het fantastisch te vinden om alles als een attractiepark te bezoeken. Ik had zoiets alleen maar in de "Meli" gezien. De uitstap naar de "Verboden Stad" is trouwens ook mijn laatste dag in China. Maar het is een mooie afsluiter. Ik ga helemaal op in de sfeer van keizerinnen en keizers met hun concubines. Ook al staat weer het een en ander in de steigers, ik loop er graag rond.
Na een maandje China ben ik blij dat ik terug naar huis mag, maar ik laat Thomas niet graag achter bij die Chinezen. Ik heb wel even genoeg van rijst en openbare toiletten. Maar het was een hele ervaring en ik ben blij dat ik Thomas ben achterna gereisd.