28 april 2006

it’s a jungle out there


Er is een indrukwekkende politiemacht op de been in Ujjain. Het wemelt er ineens van de gemotoriseerde politieagenten. Een nationale klopjacht op een gezagsondermijnende motorrijder? Ik houd mijn hart vast dat de agent van eergisteren me niet plots klem rijdt. We bereiken de expresweg. Ik ga vrijuit! Of liever, ben vogelvrij verklaard...

Honderdzestig kilometer naar Bhopal snorren we over een biljartlaken, wat een weelde! Vreemd genoeg staat de kwaliteit van het wegdek omgekeerd evenredig tot de rijkwaliteiten van haar bestuurders. Tegenliggers halen tegenliggers in zonder daarbij maar een moment rekening te houden met aankomend verkeer. Als je maar langdurig hoffelijk toetert kan niemand je iets verwijten. Ettelijke keren bijten Stijn en ik in het stof en belanden naast de weg, al dan niet op de sporadisch aanwezige pechstrook. Hier geldt de wet van de sterkste!

Het fenomeen “ringweg” wordt slechts met mondjesmaat toegepast op Indische steden. Grote expreswegen kruisen elkaar bij wijze van spreken op het marktplein. Talloze keren worden Stijn en ik bij het in- of uitrijden van een “bebouwde kom” uit het zadel gelicht door venijnige, ongemarkeerde verkeersdrempels. Minstens even doeltreffend en misschien nog slechter voor de vering is de “verkeersgreppel”. Het negatief van de drempel, zeg maar. Wanneer degene die voor rijdt er een opmerkt is het voor hem meestal te laat.

Zeer verantwoord is het plaatsen van vuistdikke stenen aan begin en einde van pas geschilderde wegmarkeringen. Natuurlijk weerhoudt dit geen kat ervan om alsnog in te halen en schampen zo de keien die willekeurig over het wegdek verspreid komen te liggen. Zie het als een hindernis, vooral geen acht op geven. Als de slagbomen weer eens dicht zijn is dit alleen maar lastig en betekent dit dat je weer maar eens je spiegels omlaag moet draaien en je tweewieler er schuin onderdoor moet duwen. De wereld is één groot hindernissenparcours, meer niet. Ik kan niet anders dan de ongeevenaarde graad van berusting der Indiers te bewonderen.

De laatste veertig kilometer gaan over een niet verharde weg. Een rode stofwolk vliegt op van onder onze banden. De weg mag dan in erbarmeljke staat zijn, het is een plezier tussen alle hindernissen te zigzaggen. Als bescherming tegen een zonnesteek en uitdroging rijden we ongeacht de hitte steeds in lange kleren en met een sluier om het hoofd geslagen. Het lijkt wel “Lawrence of Arabia” in een eigentijdse bewerking.

Sanchi is een slapend dorpje aan de voet van een zeldzame heuvel in de deelstaat Madhya Pradesh. Dat is ooit anders geweest. In de derde eeuw voor Christus liet de grote keizer Ashoka op deze heuvel de eerste Boeddhistische stoepas’s bouwen. Er stond (nu: ligt) ook één van de pilaren of grenspalen waarmee Ashoka’s rijk werd afgebakend. Zijn standaard met de inscriptie “waarheid alleen triomfeert” en vier leeuwen die rug aan rug zitten zijn bij de geboorte van de republiek in 1950 opgenomen in het nationale embleem van India. In de daarop volgende eeuwen werden nog tal van andere religieuze bouwwerken opgetrokken naast en in de buurt van deze stoepa’s. Nadat India langzaam terug overging naar Hindoeisme raakte Sanchi in de vergetelheid. Lang genoeg om pas aan het begin van de 19e eeuw door een Brits officier te worden herontdekt. Helaas richtten amateurarcheologen en schattenjagers onherstelbare schade aan. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de bouwsels gerestaureerd en in deze staat zijn ze nu te bezichtigen.