22 april 2006

Niet zomaar een dag op de motor


Het wordt onze derde rijdag. Het is moeilijk in te schatten hoeveel kilometer we op een dag kunnen afleggen. Het hangt grotendeels af van de staat van de wegen en van de motoren. Mijn motor verliest olie en als ik mijn benzinekraan niet dicht draai drupt de tank via de carburator leeg. De dag begint met een lekke band voor Stijn. Op veel plaatsen langs de weg is een “tyre whalla” te vinden. Onder een afdak van golfplaten demonteert hij je achterwiel en plakt hij de binnenband. Het is zo gefikst.

Men had ons nog gewaarschuwd. “A Bullet is a temperamental beast”, had een van de Parsi gezegd. Hij kan het weten, want hij heeft een Bullet van ’83, maar en is eraan verknocht voor het leven. Om 7 uur ’s ochtends staan we vertrekkensklaar op de parking voor ons hotel, de bagage al op de motor gebonden. Maar dat was buiten het nukkige willetje van mijn motor gerekend. Pas na vijfendertig minuten trappen op de kickstarter krijgen we hem in gang. Niet lang daarna brandt de zon genadeloos op onze hoofden en door de snelheidswind verbrandt ons vel heel snel. Er is vier a vijf liter drinkwater voor nodig om te voorkomen dat onze lichamen uitdrogen en dan nog moeten we maar zelden plassen. Zweten dus! De verzengende hitte en het stof zorgen ervoor dat het traanvocht in onze ogen verdampt en we langdurig met branderige ogen kampen. Tot nog toe vonden we geen rijbrillen die volledig tegen het gezicht aansluiten. De motoren worden luchtgekoeld. Helaas zorgen de temperatuur van meer dan veertig graden hier in het binnenland en de slakkengang waarmee we meestal vooruit komen niet voor veel verkoeling. Gelukkig zijn de motoren beresterk geconcipieerd. Al een paar keer kregen we spontaan advies van Indiers met een Enfield en steevast ging het om elektronische wisselstukken als een spoel, puntcondensator en een bougie. De mechaniek blijft plichtsbewust zijn werk doen, zelfs zonder olie... Vermoedelijk verbrandt Stijns motor olie, want hij lekt niet, maar het peil zakt snel. Dat moeten we dus regelmatig in de gaten houden.

Nandurbar is een kruispunt van wegen en oogt als een gezellig provinciestadje. We stoppen voor een “chai”, de traditionele Indische mierzoete melkthee, gekruid met gember, kaneel of cardamon. Nog voor de motoren zijn afgezet komt een zwerm kijklustigen de straat door om zich aan dit olijke duo te vergapen. Zoals het vaak gaat in dit soort situaties is er éen inwoner die het hoogste woord voert en daarmee de show van de maand steelt. “What is your good name?” “How many times India?” “Your native country?” Dit zijn de drie meest prangende vragen die op ieders lippen gebrand staan. Vaak is antwoorden overbodig en vuren ze alle vragen zonder pauzeren af. De massa verdringt zich om het theestalletje en voor de rust gaan we binnenzitten. Terug in het zadel wordt gemeld dat een journalist van een plaatselijke krant op weg is om ons te interviewen en een foto van ons te maken. In afwachting worden we gedwongen handtekeningen te zetten op ontelbare uitgestoken handen. Grote verweerde handen en kleine kinderhandjes wriemelen door elkaar om getekend te worden. Op dit moment wordt mijn motor in evenwicht gehouden door de mensenzee die er tegenaan gedrukt staat. Alle bedieningsknopjes aan het stuur worden uitvoerig bediend en de spiegels staan scheef. De journalist laat te lang op zich wachten en we besluiten om de reis verder te zetten. “Thank you very much for visiting our city!”, wordt er geschreeuwd.

Op de gedetailleerde wegenkaart verbindt een klein wit weggetje twee grotere oranje wegen. In vogelvlucht zou ons dit heel wat omrijden besparen. In werkelijkheid bevinden we ons iets later op een stofferige, slingerende zand-grintweg doorheen een licht golvend kaal landschap. Wanneer Stijn stilvalt krijgen we zijn Bullet met geen middel meer aan de praat. De verschroeiende middagzon staat hoog aan de hemel en nergens is beschuttende schaduw te bespeuren. Ons drinkwater is op. De poging de motor naar het volgende dorp te duwen wordt al na tweehonderd meter gestaakt. We worden belaagd door hulpvaardige Indiers, maar ze doen veel te druk en lachen voortdurend. Het ergert ons. Ik neem Stijn en zijn motor op sleeptouw door het zand. In een afdaling haalt hij mij in en rijdt over het touw, waarop dat knapt. Ik knoop het terug aan elkaar en wanneer ik nu vertraag til ik het met mijn linkerhand omhoog, zodat het de grond niet meer kan raken. Een jonge kerel op een brommer komt eerst naast Stijn rijden en daarna naast mij. Hij wil per se dat we een foto van hem maken. We poeieren hem af. Na vijf kilometer bereiken we de “oranje” weg en botsen pardoes op een mobiele controlepost van de politie. We begroeten de mannen met een brede glimlach, spreken met twee woorden en bevestigen de agenten in hun status. Terwijl een agent vol bewondering de kaft van mijn internationaal rijbewijs bestudeert komt de officier, een statige man met een indrukwekkende snor en een brede rode tulband, ons vriendelijk melden dat we mogen doorrijden. Ik zwaai nog even terwijl ik het touw tussen onze motoren strak trek. Nog eens vijf kilometer verder komen we in een een dorp aan waar een mecanicien is. De accu van Stijns motor laadt niet meer op en het vocht in onze beide accu’s is bijna compleet verdampt. Het halve dorp is weer toegestroomd om onze verschijning gade te slaan. De accu’s worden van motor gewisseld en het lijkt erop dat de weigerende accu terug oplaadt. We kunnen weer verder.

Wat volgt is een landschap vol taferelen die recht uit de Bijbel lijken geplukt. Ossen zijn voor houten karren met krakkemikkige houten wielen gespannen. Herders hoeden hun kuddes. Vrouwen dragen water in kruiken op hun hoofd van de waterput naar hun huizen. De klederdracht is uitzonderlijk kleurrijk, vrouwen dragen prachtige oor- en neusringen en mannen hebben brede gekleurde tulbanden om het hoofd geslagen. Na een paar uren houden we halt bij een theestalletje in een dorp dat lijkt op zovele andere Indische dorpen. Ook hier staat binnen de kortste keren een braniemaker het toneel te regiseren door Stijn op een spoedcursus Hindi te trakteren. Tot grote hilariteit van het massaal opgedaagde publiek. De man van het theestalletje lijkt opvallend veel op mij, aldus Stijn. We gaan samen op de foto. Hij is zo opgetogen met ons bezoek dat hij pertinent weigert geld te ontvangen voor de thee, zelfs wanneer we er sterk op aandringen. Met een gestrekte arm beantwoorden we de uitgelaten zwaaiende menigte als we het dorp uitrijden.

De zon staat al lager en het is nog een heel eind naar Mandu, ons doel van de dag. Ik merk dat Stijns gereanimeerde accu, die nu onder mijn zadel zit, kracht verliest. De machine draaiende houden is dus de boodschap. Helaas valt de motor stil terwijl ik geld uit de muur haal. Zoals gevreesd weigert mijn Bullet dienst. We parkeren de motoren naast elkaar en met behulp van twee elektrische draden verbind ik beide accu’s. Dankzij Stijns draaiende motor krijg ik nu genoeg stroom om te starten. Het is nu al donker en het vrachtverkeer raast onverstoorbaar verder over de onverlichte, pokdalige wegen. Het duurt niet lang voor mijn koplamp doorbrandt als gevolg van de defecte accu. Een paar kilometer lang kan ik mijn aanwezigheid door middel van mijn knipperlichten kenbaar maken voor ook die er één voor één de brui aan geven. Het is nacht, we zijn dertien uren onderweg, vorderden slechts tweehonderd twintig kilometer en het dichtstbijzijnde hotel ligt twee kilometer verderop. In Stijns kielzog baan ik me een weg door de allesomvattende duisternis. Op enkele honderden meters voor het hotel geeft ook Stijns oververhitte motor de geest. Na wat gesputter en een luide knal in de uitlaat staan we stil. We duwen de motoren verder terwijl het verkeer toeterend langs ons heen scheert. In het donker schuif ik naast de oprit van het hotel met motor en al in een greppel vol doornen. Het kost me veel moeite om de loodzware machine er terug uit te trekken. Ik vrees voor lekke banden en ikzelf kom er met schrammen vanaf. Tot overmaat van ramp blijkt het hotel vol te zittten. Teneergeslagen staren we voor ons uit in de lobby. We vragen of we dan maar temidden van de zetels de nacht mogen doorbrengen. De kans is echter klein dat we er ongestoord zullen slapen. De manager voelt met ons mee en biedt ons zijn kantoor aan. Gratis bovendien! Al vijf dagen vinden we geen internetverbinding en op het moment waarop ik probeer een geruststellende boodschap op het ouderlijk antwoordapparaat in te spreken wordt de verbinding abrupt verbroken. We trakteren onszelf op een lekker maal, elk twee “Kingfishers” en een paar “Beedies.” Respectievelijk smerig Indisch bier en in een blad gerolde sigaretjes. Mijn hoofd heeft nog maar pas het kussen geraakt of ik val als een blok in slaap.

De manager is er om zeven uur al terug. Stijn en ik hebben maagkrampen en hoofdpijn van het bier van gisteravond. “Ik voel me alsof ik tot zes uur in de Viking heb gezeten”, zo verwoordt Stijn zijn ellende. Beide motoren worden in stelling gebracht en de accu’s met elkaar verbonden. Olie wordt op peil gebracht en losgetrilde moeren worden weer vastgezet. De zwartgeblakerde bougies worden schoongemaakt, een gevolg van de vele onzuiverheden in de benzine hier. Als bij wonder heeft geen enkele doorn mijn binnenbanden doorprikt en volstaat het ze met een mes uit de buitenbanden te pulken.

De putten in de weg die volgt hebben een nefaste invloed op onze kater. Mandu ligt op een plateau in de verder vlakke staat Madhya Pradesh. Een smal streepje asfalt meandert door een dorre woestenij van zand en rotsen en houdt op aan de voet van het plateau. Als op een dravend paard huppen we ritmisch in het zadel over de steile zandweg. Ten gevolge van de aaneensluiting van bulten en putten slaat de versnellingsbak om de zoveel meter in neutraal. Er lijkt maar geen eind te komen aan de haarspeldbochten. Als we elkaar aankijken barsten we in lachen uit. Van pure miserie, van ongeloof, van intens geluk, van uitputting of misschien wel van de euforie zo dicht bij ons doel te zijn. We bereiken het plateau. Het is bezaaid met zo’n driehonderd prachtige koepelvormige bouwwerken. Deze “Afghaanse” tombes, paleizen, moskeeen en scholen werden tussen de tiende en de zestiende eeuw opgetrokken en bevinden zich nu in varierende staat van verval. Het hele plateau is ommuurd door een indrukwekkende verdedigingswal, met een omtrek van een slordige vijfendertig kilometer. Er is in de geschiedenis ongelofelijk om Mandu gevochten. Belegerd en onderworpen door de moslims uit Delhi. Er werden paleizen voor een harem van vijftienduizend maagden gebouwd op de hoogste punten en er werden enorme spaarbekkens aangelegd om de droge periode te overbruggen. De elektriciteit wordt slechts een paar uur per dag toegeleverd en de enige internetcomputer werkt via een gsm-verbinding. We genieten van de sfeer, staan in bewondering voor het dagelijks leven dat zich afspeelt in de schaduw van dit prachtige decor. Dit is de eerste plek waar letterlijk iedereen ons goedendag zegt. We zijn populairder dat Filip en Mathilde tijdens hun Blijde Intredes en voelen ons de koning te rijk. Gisteren zijn we behoorlijk met ons hoofd tegen de muur gelopen, een harde les om de afstand niet te onderschatten en erin te berusten als we het doel niet halen.

3 Comments:

Blogger fannita zei...

Niet zomaar een dag zonder Thomas! Het is blijkbaar de moeite waard, maar goed ook! Blijf ervan genieten.

19:05  
Anonymous laila zei...

Wauw! Thomas! Heel fijn om dit te lezen; kan ik me steeds beter een voorstelling maken van wat jullie daar in hemelsnaam allemaal tegenkomen/uitvoeren/doormaken/in terechtkomen/ ondergaan/ ervaren...
MET mooie foto's! Dank je wel!

22:09  
Anonymous hilde zei...

hey Thomasko, back on the road again, moest er van komen e. Zullen vol smaak jullie verhalen volgen. Big bizoe Robine,kris en hilde

22:12  

Een reactie plaatsen

<< Home